Inleiding
Het unieke van korfbal is de gemengde samenstelling van de teams. Mannen en vrouwen, respectievelijk jongens en meisjes vormen samen 1 team, waarbij de geslachten aan elkaar gekoppeld zijn qua aanval en verdediging. Vroeger werd korfbal alleen buiten beoefend (veldkorfbal), maar sinds het begin van de zestiger jaren wordt gedurende de wintermaanden ook zaalkorfbal gespeeld. Er bestaat momenteel zelfs een tendens om louter en alleen aan de zaalkorfbalcompetitie deel te nemen. Zaalkorfbal is attractief en trekt op het hoogste niveau veel publiek.
Het korfbalveld is verdeeld in 2 vakken: een aanvalsvak en een verdedigingsvak. Vier spelers (2 heren en 2 dames) van 1 partij bevinden zich in 1 vak. Alleen vanuit het aanvalsvak kan er gescoord worden, dat wil zeggen de bal door de korf mikken. Er mag niet gelopen of gedribbeld worden met de bal, de spelers moeten zich door combinatiespel met tal van snelle schijnbewegingen een schotpositie verwerven.
Na 2 doelpunten wordt van vak gewisseld. Een veldwedstrijd duurt 2 x 35 minuten, een zaalwedstrijd 2 x 30 minuten.
Bewegings- en belastingsanalyse
De wedstrijdkorfballer kent een vrij lang seizoen, dat zich afspeelt tussen augustus en juni van het volgende jaar. De zaalcompetitie verdeelt de veldcompetitie in twee helften.
Door de indeling in vakken is er nooit sprake van een gelijkmatige continue belasting.
Een bal is bij het zaalkorfbal gemiddeld 20 seconden in een vak (bij het veldkorfbal vaak wat langer).
Gedurende die tijd is er sprake van een intensieve inspanning, zowel voor de aanvaller als voor de verdediger. Korfbalspecifiek zijn de vele kortdurende explosieve acties (springen en sprinten), waarbij relatief veel anaerobe arbeid verricht wordt.
In de herstelfase (bal in een ander vak) is vooral het aerobe systeem actief.
Iedere korfballer heeft een persoonlijke tegenstander. Door de wisselende vakopstelling verschilt de functie van een speler geregeld. De ene periode is hij of zij aanvaller, de volgende periode verdediger. In elk vak gaat de korfballer een onderling duel aan met de tegenstander. Doel van de aanvaller is de opponent kwijt te spelen, zodat een vrije scoringskans ontstaat. De directe tegenstander laat zich niet zo maar afschudden en zit de aanvaller dicht op de huid om het scoren te beletten.
De aanvaller maakt talloze bewegingen en schijnbewegingen om los te komen van zijn tegenstander. Zich vrij spelen kan gebeuren door de tegenstander snel voorbij te lopen of zich zijwaarts of achterwaarts te onttrekken aan deze tegenstander.
De mate van de inspanning is wel afhankelijk van de functie, die vervuld wordt in een vaksamenstelling. Zo zal de hoofdaanvaller zich bij een aanvalsactie meer moeten inspannen dan de medespeler, die op dat moment een steunende taak heeft. Zo ook de verdediger van de hoofdaanvaller in vergelijking met de verdediger van de medespeler.
Een korfballer of korfbalster onderscheidt zich door een goede coördinatie, een grote flexibiliteit, een snel reactievermogen, een hoge startsnelheid met daarbij een adequaat aeroob uithoudingsvermogen. Absolute kracht is een conditionele factor, die van ondergeschikt belang is bij korfbal.
Blessuregevoelige spelsituaties
Om te komen tot een sporttakgerichte advisering is kennis nodig van de meest belastende momenten in de korfbalsport. Een aantal blessure-gevoelige spelsituaties zullen worden besproken.
Het frequent terugkomende springen vindt meestal in een duelvorm plaats, waarbij lichamelijk contact kan optreden.
Balansverstoringen in de lucht kunnen aanleiding geven tot een verkeerde landing, met als gevolg acute distorsies van knie of enkel. Het veelvuldig aangaan van sprongduels leidt ook regelmatig tot surmenageletsels van knie en enkel.
Voorbeelden hiervan zijn: retropatellaire chondropathie, apexitis patellae, achillespeesklachten en shin splints.
Dit soort letsels reageren meestal afdoende op een tijdelijke vermindering van explosieve bewegingsvormen als sprinten en springen, in combinatie met een verbetering van de schokdemping via goed schoeisel en visco-elastische inlegzolen. Aandoeningen van het ligamentum patellae zijn vaak goed te verhelpen door middel van een patellapeesbandje.
Door de vele endo- en exorotaties in de geflecteerde knie worden hoge eisen gesteld aan de actieve en passieve stabilisatoren van het kniegewricht. Door een spierdysbalans kunnen torsietrauma's ontstaan, waarbij vooral kniebandletsels optreden.
Het bewegingspatroon van zowel aanvaller als verdediger brengt vele pro- en supinatie bewegingen in het enkelgewricht met zich mee. Enkelbandletsels komen dan ook in de korfbalsport het meest frequent voor. Het gaat hierbij vooral om hernieuwde inversietrauma's bij reeds eerder gekwetste enkelbanden.
De blessurepreventie dient zich dan ook vooral op de recidiverende enkeldistorsies te richten.
Een stabiliteitsonderzoek van de enkels is bij een korfballer essentieel. Bij een bestaande ligamentaire laxiteit kunnen meerdere adviezen worden verstrekt.
Korfbalschoeisel met een hoog oplopende schacht is altijd raadzaam. Verder zijn enkeltaping of een ankle-brace nodig om de lokale hypermobiliteit tegen te gaan. Spierversterkende oefentherapie van de peroneusspieren is tevens gewenst.
Contactblessures kunnen ontstaan door contact met tegenstanders, bal of korfbalpaal.
Zij hebben relatief een klein aandeel in het totale aantal blessures. Alleen de vingerblessures verdienen extra vermelding.
Door verkeerd vangen van de bal kunnen distorsies en contusies van de interphalangeale gewrichten ontstaan. Deze herstellen meestal traag maar leiden zelden tot langdurig sportverzuim.
Functiebeperkingen van de vingers worden bij korfballers dan ook frequent aangetroffen. Tapen van de vingers is daarbij als secundaire preventie zeer effectief.
In de overgangsmaanden november/december en maart/april doen zich vaak aanpassingsprobiemen voor door verandering van het speeloppervlak. Dit uit zich vooral in hiel- en peesblessures, zoals achillespees- en patellapeesklachten, vooral in de overgangsfase veld- naar zaalcompetitie.
De hardere ondergrond, die aan dit soort blessures ten grondslag ligt, kan deels worden opgelost door schokabsorberend zaalschoeisel in combinatie met de reeds eerder genoemde visco-elastische inlegzolen.
Op het veld komen door het ongelijke oppervlak (veelal gras, soms gravel) frequenter inversietrauma's van de enkel voor.
Korfbalblessures
Jaarlijks lopen ongeveer 500.000 Nederlanders een enkelletsel op, waarvan het merendeel door sport. Binnen het korfbal neemt de enkel ongeveer 40% van de jaarlijkse 40.000 sportletsels voor haar rekening. Met andere woorden naar schatting 16.000 enkelblessures per jaar, alleen al in het korfbal. Dit zijn zowel lichte als ernstige letsels. Alle reden om te bekijken hoe deze nummer 1 op de korfbal-blessureranglijst te voorkomen is.
De duim is een belangrijk onderdeel van de hand en heeft een bijzondere functie tijdens korfbal in het sturen van de bewegingen zowel bij het vangen, gooien en schieten van een bal. Het duimgewricht staat deels naast en tegenover de andere handbeentjes en heeft een uitzonderlijke beweeglijkheid. De duim heeft twee kootjes, net als de grote teen, terwijl de andere vingers drie kootjes hebben en door de vorm van de hand meer met elkaar verbonden zijn. De duim staat reeds met haar middenhandsbotje in een andere lijn dan de andere middenhandsbotjes. Hierdoor is de hand in staat om de grijpfunctie te verbeteren.
De vinger is een belangrijk onderdeel van de hand en heeft bij het vangen, gooien en schieten een sturende functie. De vingers hebben in tegenstelling tot de duim 3 vingerkootjes/ gewrichtjes. De bewegingen hebben als voornaamste functie buigen en strekken en spreiden en sluiten
Drukpijn in de lengterichting van de vinger en/of drukpijn om het bot in de vinger wijst op een botbreuk. In dit geval moet er een arts geraadpleegd worden. De vinger wordt dan gedurende 3-6 weken vastgezet in een spalk. Ook dan duurt het meestal maanden voordat het gewricht weer volledig pijnvrij is.
1. de aanhechting van de pees op de hiel
2. de pees met het omringende weefsel
3. de slijmbeurs in de diepte aan de voorzijde van de pees
Een achillespeesontsteking komt veel voor in sporten waarbij veel explosieve- en sprongbewegingen voorkomen, zoals bij korfbal. De achillespeesontsteking ontstaat meestal niet acuut, maar de sporter heeft vaak al langer last van deze klacht die in ernst toeneemt.
Als je doortraint, riskeer je geleidelijke verergering en een steeds moeilijker herstel. De pijn is in te delen in 5 stadia:
1. Pijn na langdurige inspanning, die na enige uren spontaan weer verdwijnt.
2. Pijn die tijdens de warming-up opkomt, tijdens de inspanning afneemt, en pas daarna weer terugkomt.
3. Pijn tijdens én vlak na de inspanning en ‘s nachts. De pijn verdwijnt pas na langdurige rust.
4. Hetzelfde als punt 3, inclusief prestatievermindering.
5. Constante pijn die niet meer verdwijnt, ook niet na langdurige rust.
Naast de bovenstaande klachten is er ook sprake van een pijnlijke en gezwollen achillespees en rekpijn. Ook deze klachten verergeren naarmate de klacht langer duurt. Er zijn verschillende oorzaken aan te wijzen voor het ontstaan van een achillespeesontsteking, vaak hebben die met elkaar te maken. Zoals gezegd is de achillespeesontsteking een overbelastingsklacht, dus mogelijke oorzaken kunnen liggen in:
1. Een te snelle opbouw van training, bijvoorbeeld aan het begin van het trainings-seizoen of na een blessure of ziekte.
2. De achillespees heeft te weinig kracht om de (verhoogde) belasting aan te kunnen.
3. Verandering van de bodem waarop men traint.
4. Slechte schoenen met te weinig steun of een verkeerde voetbelasting.
Wat voor maatregelen moet je nemen bij een zweepslag in de kuit?
In de eerste 48 uur treedt er altijd een ontsteking op. Deze ontsteking is voor het lichaam noodzakelijk om het wondgenezingsproces op gang te brengen. Om dit proces optimaal te laten verlopen pas je voor het aangedane been de I.C.E (ook wel RICE) regel toe. Dit is een uit het Engels afkomstige afkorting, die staat voor (rest (rust)), ice (ijs), compression (kompressie of druk) en elevation (heffen). In het Nederlands betekent dit het volgende:
- IJs; koelen door middel van bijvoorbeeld een ijspakking (enkele keren per dag gedurende 10 – 15 minuten);
- Compressie en immobilisatie, evt. met behulp van een bandage. De compressie gaat de bloeding tegen en geeft verminderde trekbelasting op de spiervezels waardoor je minder pijn ervaart. Hier moet je mee oppassen want pijn heeft bij dit soort blessures een belangrijke signaal functie.
- Rust, het been omhoog (= elevatie of heffen) met de voet in een functionele uitgangshouding; dit is 90º t.o.v. het onderbeen, als de pijn dit toelaat en met een licht gebogen knie.
Na de eerste 48 uur kun je beginnen met het functionele herstel binnen de pijngrens. In deze fase van het herstel, die ± 2 tot 21 dagen duurt, wordt nieuw weefsel gevormd. Een snelle hervatting van het normale bewegingsproces is bevorderlijk voor een optimaal herstelproces. In de praktijk houdt dit het volgende in:
- De spier mag heel rustig, zonder pijn, aangespannen worden. Dit geschiedt met weinig weerstand en veel herhalingen.
- De spier mag heel rustig, binnen de pijngrens, gerekt worden, totdat in de loop van 3 weken de normale lengte bereikt is.
- Een correcte goed gecoördineerde uitvoering van de oefeningen (en het lopen) is belangrijk.
- Eventueel kan een goed gecoördineerd looppatroon bevorderd worden door een bandage of een kleine hakverhoging (in dat geval dienen links en rechts altijd tegelijkertijd te worden verhoogd).
- In de derde week is een lichte terugval te verwachten door optredende toegenomen spanning.
Wanneer kan je weer trainen na een zweepslag?
Na 3 weken is de trekkracht van het nieuwe weefsel voldoende om duurtraining te ondergaan. Het nieuw gevormde weefsel gaat zich aanpassen aan de belastingen die er van gevraagd worden. Dat wil zeggen dat de volgende aspecten getraind moeten worden.
- Spieruithoudingsvermogen,veel herhalingen en veel series.
- Spierkracht van lage belasting naar hoge belasting, van langzaam naar explosief, van ‘concentrisch naar excentrisch’ en van eenvoudige naar complexe bewegingen.
- Coördinatie.
- Snelheid.
- Lenigheid, spierlengte maar ook de bewegelijkheid van de gewrichten van de enkel de knie en de voorvoet.
Sporthervatting kan pas plaatsvinden na zo`n 6 weken. Er mag dan geen pijn bij het aanspannen van de spier en / of bij het rekken van de spier zijn. De spanning in de spier mag niet hoger zijn dan in de andere kuit en de bewegelijkheid van het aangedane been moet gelijk zijn aan die van het gezonde been.
Pijn die lang aanhoudt en ook na ontspanning blijft bestaan moet worden vermeden. Te snelle sporthervatting geeft bij dit soort spierblessures een zéér grote kans op herhalingen. De trainingsopbouw bestaat volgordelijk uit:
- Fietsen (voordat looptraining mogelijk is).
- Rechtuit lopen.
- Lopen met lichte versnellingen, die in de loop van de tijd naar maximaal gaan.
- Lopen met variatie in de bewegingsrichting, voor- achter- en zijwaarts, je kan hier al rustig met een bal naar elkaar overwerpen.
- Trainingsvormen waarbij de explosiviteit in de oefeningen langzaam toeneemt.
- Doorloopballen in een rustig tempo naar doorloopballen op maximale snelheid.
- Schieten van korte afstand naar maximale afstand.
- Oefeningen met een tegenstander.
- Partijvormen.
- Wedstrijd, niet meteen op maximaal niveau en de volle speeltijd.
De hierboven genoemde stappen doorloop je niet binnen één training. Na elke stap moet je eerst de reactie afwachten. Hierbij moet je letten op pijn en startstijfheid. Na elke training moet je voldoende hersteltijd in acht nemen. Voordat je bij een volgende training een stap verder kunt gaan. Een sportfysiotherapeut kan dit proces zo optimaal mogelijk laten verlopen maar niet versnellen.
Om (herhaling van) dit soort blessures te voorkomen is het handig om te weten welke oorzaken eraan ten grondslag kunnen liggen. Mogelijke oorzaken:
- Onvoldoende bewegelijkheid in de knie, enkel en of voorvoet.
- Algemeen verlaagde belastbaarheid door bijvoorbeeld oververmoeidheid, ziekte of een te hoog prestatie niveau.
- Onvoldoende warming-up.
- Onvoldoende alertheid tijdens het sportmoment.
De spiergroepen die de oorzaak zijn van deze klachten zijn:
1. De spieren die het been naar binnen bewegen (adductoren)
2. De spieren die de heup buigen (iliopsoas en rectus femoris)
3. De rechte en schuine buikspieren
Een chronische liesblessure ontstaat in de regel door overbelasting. Oorzaken van overbelasting zijn:
- te snel teveel belasten
- eenzijdige bewegingen
- grote en langdurige belastingen
- regelmatig wegglijden bij een zijwaartse beweging
- combinatie van sport en (zwaar) werk
Overbelastingsblessures komen vaak voor bij teamsporten zoals voetbal en hockey, maar ook atletiek (lange afstand lopen, hordenlopen, hoogspringen) en schaatsen zijn takken van sport waar relatief veel liesblessures voorkomen.
Liesklachten die het gevolg zijn van overbelasting komen voor in verschillende gradaties:
Graad 1: Pijn treedt op na sportbeoefening, startpijn/ stijfheid ’s ochtends.
Graad 2: Pijn bij warming-up en in verloop van sportbeoefening
Graad 3: Pijn is voortdurend aanwezig tijdens sportbeoefening
Graad 4: De pijn is in het dagelijks leven voortdurend aanwezig.
Scheenbeenirritatie (of “shin-splints", “beenvliesontsteking”, “springschenen” of “tibiaal stress syndroom”) is een veel voorkomende overbelastingsblessure. Het is een irritatie van de botvlies-peesovergang van de voetbuigspieren die zich kenmerkt door pijn en stijfheid. De pijn is te voelen aan de binnenkant van het onderbeen op de achterrand van het scheenbeen.
De pijnklachten kunnen worden ingedeeld in 5 stadia:
1. Lichte pijn en stijfheid na sportbelasting.
2. Startpijn bij sportbelasting, verdwijnt tijdens de warming-up. Na het sporten keren pijn en stijfheid weer terug en blijven langer aanwezig. Ook de volgende ochtend nog last van stijfheid.
3. Pijn tijdens de sportbelasting, maar ook erna en 's nachts. Pas na langdurige rust verdwijnt de pijn.
4. Dezelfde pijn als in stadium 3, de pijn heeft in dit stadium een negatieve invloed op de prestatie.
5. Continue pijn. De pijn verdwijnt niet, ook niet na langdurige rust.
Scheenbeenirritatie gaat vaak samen met een zwelling die een 'putje' achterlaat in de huid als je er een paar tellen op duwt.
Scheenbeenirritatie wordt veroorzaakt door een overbelasting van de buigspieren van voet en tenen. Deze spieren spelen een belangrijke rol bij de balans van het lichaam op de voeten. De overbelasting wordt meestal veroorzaakt door een aantal factoren tegelijk:
- In een korte tijd te veel, te vaak en te snel lopen en springen. Oppassen dus aan het begin van het seizoen of na een blessureperiode. Bouw de intensiteit van de sportinspanning rustig op.
- Lopen op een hard kunstgrasveld in combinatie met slecht schokabsorberend en ondersteunend schoeisel.
- Aanleg, bijvoorbeeld beenlengteverschil, (kleine) standafwijkingen van de voeten (knikplatvoeten, holvoeten). Gelukkig kunnen deze vaak gecorrigeerd worden door goede schoenen en/of inlegzolen.
- Een onevenwichtige spieropbouw, disbalans tussen de buig- en de strekspieren van de voet.
- Spierverkortingen, vooral van de kuitspieren.
- Een goede getraindheid en een uitgebreide warming-up verkleinen de kans op scheenbeenirritatie. Je bereidt je spieren en de rest van je lichaam voor op wat er gaat komen. Wil je weten hoe een goede warming-up eruit ziet, kijk dan op www.voorkomblessures.nl. Je sluit het sporten vanzelfsprekend af met een cooling-down.
- Geschikte sportschoenen verkleinen de kans op scheenbeenirritatie. Wil je weten waar je op moet letten bij de aanschaf van sportschoenen? Kijk dan ook op http://www.voorkomblessures.nl
- Soms heeft je lichaam bepaalde tekortkomingen (denk aan beenlengteverschil) die een blessure kunnen veroorzaken. Zorg dat je tijdig deze tekortkomingen corrigeert, dan bespaar je jezelf onnodig leed.
De schouder is een veel voorkomend probleemgebied in de sport. De gewrichtskom omvat de gewrichtskop slechts beperkt, waardoor de schouder een erg mobiel gewricht is. Alle stabiliteit wordt gegeven door het gewrichtskapsel en de spieren van de schoudergordel. Bij frequente bewegingen van de schouder boven het hoofd kan dit systeem dan ook chronisch overbelast raken en kunnen er blessures ontstaan.
Een gebroken sleutelbeen (clavicula) is vaak het gevolg van een val op de schouder of het sleutelbeen. Er ontstaat direct pijn met een vreemde stand van het sleutelbeen. De behandeling bestaat uit het nemen van rust door de aangedane arm enige tijd in een mitella te dragen.
Het uit de kom schieten is serieuze en pijnlijke aangelegenheid en komt vaak door valpartijen op de schouder bij bijvoorbeeld judo. Er kan een beschadiging van een pees, spier of zenuw ontstaan en het gewrichtskapsel wordt opgerekt, waardoor chronische instabiliteit van de schouder kan ontstaan. Het is belangrijk de schouder zo snel mogelijk weer te laten zetten, meestal gebeurt dit in het ziekenhuis m.b.v. pijnbestrijding. Het is belangrijk dat er goed gekeken wordt naar de bloedvoorziening van je arm en de functie van de armzenuwen, omdat deze structuren zich dicht bij het beschadigde schoudergewricht bevinden.
Schouderontwrichtingen worden meestal door vallen of door een draai-hefbeweging veroorzaakt. Vooral werpbewegingen, of het naar achter gooien van je bovenarm zijn berucht. Een verbetering van gooitechniek en beperkingen in bewegingen kan de kans op dit soort letsels verminderen. Vooral een voorzichtige opbouw van je schouderspierkracht (rotatoren) is belangrijk (zie oefeningen schouderspieren).
Wanneer je schouder herhaaldelijk uit de kom raakt, vermindert de pijn bij de ontwrichting en wordt het gemakkelijker de bovenarm weer in de schouderkom te krijgen. Een lange rustperiode na een herhaalde ontwrichting heeft geen zin meer. Je kunt beter de bewegingen die tot de ontwrichting leiden voorkomen, of je schouder laten opereren. Deze operatie versterkt het kapsel, maar geeft vaak wel enige beperking in de eindbewegingen van de schouder (heffen, naar achteren bewegen en naar buiten draaien van de bovenarm). Ook na deze operatie heb je tijd nodig voor de genezing en de opbouw van de kracht en beweeglijkheid van je schouder.
Chronisch spier/pees letsel is het meestvoorkomende schouderletsel door sport. Het onstaat voornamelijk door het veelvuldig maken van een bovenhandse beweging. Racketsporten en werpsporten worden hier veel mee geassocieerd, maar ook zwemmers kampen veel met schouderblessures, met name bij de onderdelen vrije slag en vlinderslag. Een schouderontsteking kan ook nog wel eens ontstaan als je op je arm valt. Als het kapsel en de banden van je schoudergewricht opgerekt worden, kan een instabiele schouder ontstaan, met als mogelijk gevolg een schouderpeesontsteking. Met name voor keepers is dit een mogelijk scenario.
De bovendoorn spier (supraspinatus) is met name de spier die de arm opheft en draait. Deze spier raakt bij deze regelmatig terugkerende bewegingen snel geïrriteerd. Omdat de bovendoorn spier echter door de vorm van het schoudergewricht niet veel ruimte heeft, zal deze klem komen te zitten. Kenmerkend voor deze blessure is een pijnlijk traject tijdens het heffen. Deze klachten zijn vaak hardnekkig, omdat de pijnlijke spier in het dagelijks gebruik steeds weer geïrriteerd wordt. Daarom is het zeker nodig om tijdelijk de sportactiviteiten te staken en ook de irriterende bewegingen (zoals boven het hoofd werken) zoveel mogelijk te vermijden. Naast het nemen van rust kan ook de fysiotherapeut oefeningen doen of een aantal technieken toepassen om de klachten te verhelpen. In een enkel geval is het nodig om een ontstekingsremmende injectie toe te dienen in de schouder.
Peesontstekingpijn delen we in naar toenemende ernst:
Fase 1: Alleen pijn na het sporten.
Fase 2: Ook pijn als je begint met sporten.
Fase 3: Ook pijn tijdens het sporten.
Fase 4: Zelfs pijn in rust.
Een peesontsteking in je bovendoornspier (supraspinatus) ontstaat als gevolg van bovenhandse bewegingen, zoals borstcrawl en smashen bij racketsporten en volleybal.
De pees van deze spier wordt gemangeld tussen het schouderblad en de kop van de bovenarm, waardoor hij dikker wordt. Hierdoor neemt de ruimte voor de pees nog verder af, en ontstaat vooral bij zijdelingse hefbewegingen pijn en onmacht om deze bewegingen uit te kunnen voeren. Het begin van de hefbeweging is nog wel mogelijk, omdat dit door de monnikskapspier (deltoideus) wordt gedaan.
Op oudere leeftijd komt deze peesontsteking vaker voor omdat door de veroudering en het gebruik de pees slechter van kwaliteit wordt. Een matige slagtechniek of juist intensiever trainen en met meer kracht slaan, maken de kans op een peesontsteking groter.
Ook ontstekingen van de bicepspees, aan de voorzijde van je schoudergewricht of de infraspinatuspees, aan de achterzijde van de bovenarmkop komen bij sporters voor. Overbelasting van deze spieren, door smashen en werpen, zijn ook hierbij de oorzaak van de ontstekingsreactie van de pezen.
- Goede slagtechniek, goede conditie en een rustige opbouw van de trainingsintensiteit zijn belangrijk om nieuwe klachten te voorkomen.
- Ook is het belangrijk om een warming up voor de training of wedstrijd en een cooling down na de training of wedstrijd te doen. Kijk op www.voorkomblessures.nl voor een goede warming up.
- Ook als je geen blessure hebt, is het soms prettig om bepaalde spieren of spiergroepen te versterken. In een trainingsprogramma met als einddoel de spieren te versterken, mag de belasting tijdens de oefeningen hoger zijn dan wanneer je een herstelprogramma doet.
Er zijn veel sporters, die een ontsteking oplopen door het inklemmen van de slijmbeurs onder het afdakje (acromion) van het schouderblad en de kop van de schouder; soms na een val, soms na statische belastingen (computer) en bij sporters tussen de 20 en 50 jaar vaak door een te ruime beweeglijkheid van het schoudergewricht met onvoldoende schoudercontrole.
De inklemming van de slijmbeurs vindt plaats door het 'rijden' van de schouderkop tegen het afdakje door een te grote niet gecontroleerde speling in het gewricht. Pijnstillers en injecties zijn soms een verademing voor de pijn of om weer te kunnen slapen. Oplossen van de oorzaak is echter het stabiliseren van de schouder door gerichte oefentherapie. In sommige gevallen zal de behandelaar zelfs vanaf de basis moeten beginnen.



