Zoeken
header_left header_right

header_left Sportzorg adressen header_right

   Home > Sporttakken > Atletiek

Sportcompressiekousen
Sinds Nederlands atleet Bram Som na een lange periode van kuitklachten Europees kampioen werd op de 800m met compressiekousen aan, lijken deze kousen aan populariteit te winnen. Compressiekousen bestaan al een lange tijd. Het waren echter altijd onflatteuze, vleeskleurige kousen met een dikke naad erin. Niet echt aantrekkelijk voor gebruik in de sport. Tegenwoordig is er een elegantere sportcompressiekous die een vondst lijkt te zijn voor alle sporters met pijnlijke onderbenen. Momenteel staat de ontwikkeling van de sportcompressiekous nog in de kinderschoenen. Hierdoor is nog weinig wetenschappelijk onderzoek beschikbaar dat de werking verduidelijkt of bevestigt. Op dit moment is het dan ook voor iedereen met onderbeenklachten de moeite waard om de sportcompressiekous eens te proberen.
Pijn in de onderbenen is een veelvoorkomende klacht bij sportbeoefenaren. Met name bij sporten waarbij veel gerend en gedraaid wordt zoals atletiek, klassieke teamsporten zoals voetbal, volleybal en hockey, maar ook bij schaatsen en skeeleren komen onderbeenklachten veelvuldig voor. Lees verder >>


Klik op de afbeelding om het bericht vergroot weer te geven.

Bron: De Telegraaf, 2 juni 2006

Voor aanvullende informatie kunt u hieronder op een aantal onderwerpen klikken. Deze informatie is geschreven door (medisch) deskundigen.

Indeling naar atletieknummers 
Loopsport
Sprinten en springen 
Werpen 
Accommodatie en materiaal 
Schoeisel 
Voeding en drinken 
Typische blessures bij lopers 
Typische blessures bij sprinten en springen 
Typische blessures bij werpers

Indeling naar atletieknummers

De atletieknummers kunnen worden onderverdeeld in:
- loopnummers:
· sprint (100 m - 400 m inclusief de hordennummers)
· middellange (800 m - 3000 m ) en lange afstand (5000 m - marathon)
· steeple-chase (3000 m)
· veldlopen
· snelwandelen (10 km - 50 km).
- springnummers:
· verspringen
· hinkstapspringen
· hoogspringen
· polsstokhoogspringen
- werpnummers:
· kogelstoten
· kogelslingeren
· discuswerpen
· speerwerpen
- meerkamp:
· tienkamp bij de mannen: de eerste wedstrijddag omvat 100 m lopen;
verspringen, kogelstoten, hoogspringen en 400 m lopen, de tweede dag 110 m horden, discuswerpen, polsstokhoogspringen, speerwerpen en 1500 m lopen;
· zevenkamp bij de vrouwen: de eerste wedstrijddag omvat 100 m horden, hoogspringen, kogelstoten en 200 m lopen, de tweede dag verspringen, speerwerpen en 800 m lopen.

Met name het lopen van (halve) marathons door jong en oud van beide seksen is de laatste jaren steeds populairder geworden. Niet iedereen kan deze zware belasting echter aan en het moge duidelijk zijn dat velen met specifieke sportmedische problemen te maken krijgen in hun voorbereiding op en tijdens de marathon.

Terug naar onderwerpen

Lopen

Loopnummers in de atletiek kan men onderverdelen in de sprint (100 m t/m 400 m) inclusief de hordennummers, de middenafstand (800 m t/m 3000 m), de lange afstand (5000 m tot en met de marathon) en het snelwandelen. De explosieve sprintnummers zijn fysiologisch en trainingstechnisch zo nauw met de springnummers verwant dat deze gezamenlijk beschreven worden.

Bij de middellange afstand spelen zowel de anaërobe als de aërobe energiestofwisseling een belangrijke rol. Hiermee wordt de energiestofwisseling bedoeld waar energie uit de stofwisseling wordt gegenereerd respectievelijk zonder zuurstof en met zuurstof Sommige middellange-afstandlopers leveren hun prestatie voor een groot deel met hun anaërobe vermogen ('goed kunnen doorlopen onder verzuring'), terwijl anderen een zelfde prestatie vooral leveren vanuit hun aërobe vermogen ('duurvermogen').
Bij een lange-afstand loper is vooral de aërobe energiestofwisseling van belang.
Voor deze nummers moet een hoge zuurstofopname langere tijd volgehouden worden.
Het snelwandelen is een aparte tak in de atletieksport. Het is een typische duursport, waarbij de aërobe stofwisseling centraal staat. De internationale wedstrijdafstanden zijn 10 km, 20 km en 50 km. Karakteristiek voor het snelwandelen is de eis dat er voortdurend bodemcontact moet zijn. Als dit niet het geval is, volgt een waarschuwing. Na drie waarschuwingen volgt diskwalificatie.
Het snelwandelen wordt verder gekenmerkt door een vlakke pas, waarbij de hiel als eerste grondcontact maakt en de knie gestrekt wordt. Het snelwandelen vereist een zeer specifieke lenigheid in schoudergordel, lage rug, heupen, knieën en enkels om de sterke rotatie van bekken en wervelkolom om de lengteas, met een tegengestelde rotatie van de schouderas mogelijk te maken.

Trainingsvormen
De middellange- en lange-afstandstraining omvat een aantal trainingsvormen die sterk met elkaar overeenkomen. Bij de lange-afstand loper ligt het accent meestal op lange extensieve duurlopen en intervaltraining. De middenafstandloper verricht meer korte intensieve duurlopen, tempotrainingen met (sub)maximale intensiteit en zo nu en dan pure snelheidstraining. Variaties in omvang en intensiteit van de training via een gerichte periodisering dienen om het trainingseffect te vergroten. De training van de snelwandelaar komt in principe overeen met die van de langeafstandloper.
Loopscholing is uit oogpunt van bewegingseconomie erg belangrijk. Daarnaast zijn specifieke krachttraining en versterking van buik- en rugspieren noodzakelijk om een goede looptechniek en romphouding (ook onder vermoeidheid) te kunnen handhaven. Met name het belang van deze spierversterkende oefeningen wordt nogal eens onderschat, waardoor onnodige (rug)blessures kunnen optreden.

Biomechanische aspecten
De loopbeweging kan in drie fasen onderverdeeld worden.

Landingsfase
Bij de landing maakt de buitenzijde van de hiel als regel het eerst contact met de grond. Hierbij treedt een korte passieve belastingspiek op, gevolgd door een langzame actieve 'opvangfase'. De vorm en de hoogte van de passieve belastingspiek is afhankelijk van het schoeisel en de ondergrond, waarbij ook de loopstijl van belang is. Onvoldoende demping geeft te hoge drukbelastingen, waardoor een verhoogde kans op het ontstaan van bijvoorbeeld stressfractuurtjes optreedt. Niet iedere loper landt als eerste Op de buitenzijde van de hak. Er zijn ook lopers die op de middenvoet of op de voorvoet landen. Deze middenvoeten voorvoetlanding treft men soms aan als de loper anatomische beperkingen heeft, zoals te korte kuitspieren/achillespezen, maar ook als de snelheid waarmee gelopen wordt toeneemt.

Steun fase

In de steunfase zakt de voet iets door en absorbeert zo de schok van de landing.
De voet past zich aan de ondergrond aan, waardoor zowel het hielbot (calcaneus) als de middenvoet naar binnen toe afwikkelen (pronatie). Deze pronatie is maximaal als het lichaamsgewicht boven de voet is. De pronatie mag niet te groot zijn ofte abrupt plaatsvinden. De lijn van de voetafwikkeling loopt als regel van de buitenzijde van de hak naar de binnenzijde van de bal van de voet, waarbij de afzet over de grote teen plaatsvindt. Als dit niet, of niet vloeiend gebeurt, kunnen klachten ontstaan. Pronatie van de voet gaat gepaard met een naar binnen draaien van het scheenbeen (endorotatie van de tibia), waardoor de heup relatief naar buiten draait (exorotatie). Zo kan een versterkte pronatiefase niet alleen voetklachten, maar ook scheenbeen-, knie- of heupklachten geven. De pronatie kan versterkt worden als het schoeisel bijvoorbeeld een onvoldoende stabiliserende hiel kap (contrefort) heeft of een te zachte zool, maar ook als de kuitspieren verkort zijn of pedes plani valgi (knik-platvoeten) aanwezig zijn.

Afzetfase
Als het lichaamsgewicht voorbij het steunpunt is, gaat de middenvoet (midtarsale gewricht) op 'slot' en komt er spanning op de peesplaat onder de voet (fascia plantaris), waardoor de voet een sterke hefboom vormt voor de afzet.
Deze verloopt over de binnenzijde van de voorvoet, over de grote teen. Als de voet loskomt exoroteert het scheenbeen weer. De hoek tussen het hiel bot en de achillespees dient de 180 graden te benaderen. Grote afwijkingen hierin kunnen achillespeesletsels veroorzaken en overbelasting van de spieren die aan de binnenzijde van het scheenbeen lopen en aldus aanleiding geven tot het onstaan van 'shin splints'.

Terug naar onderwerpen

Sprinten en springen

Sprint- en springnummers passen goed bij elkaar wat betreft hun specifieke kenmerken, die overeenkomstige trainingsvormen vereisen. Zowel de sprinter als de springer hebben een grote dosis explosieve kracht nodig. Snelheid en reactiviteit zijn doorslaggevende factoren en beide disciplines vergen behoorlijk wat techniek. De meeste trainingsvormen zijn dan ook gericht op het verhogen van de maximale kracht, het springvermogen, de snelheid en de lenigheid. De looptraining dient zowel in het alactische als in het lactische anarobe bereik te liggen. Energierijke fosfaten, die zeer snel energie kunnen leveren, vormen, zeker voor de korte sprint- en springnummers, n van de belangrijkste energiebronnen.
Flexibiliteit en coördinatievermogen zijn noodzakelijk voor een efficiënte bewegingsuitvoering en dragen mede bij tot het voorkomen van blessures. De springnummers hebben onderling gemeen dat het resultaat voor een groot deel afhankelijk is van de aanloopsnelheid en afzetkracht. Met name de laatste jaren wordt steeds meer gestreefd naar een hogere aanloopsnelheid, hetgeen echter tot meer letsels leidt. Verspringen en hinkstapspringen worden vaak gecombineerd beoefend. Men ziet ook nogal eens dat bijvoorbeeld verspringers en polsstokhoogspringers andere nummers, zoals het hordenlopen, goed beheersen. De 'echte' sprinter beperkt zich tot de 100 en 200 meter, terwijl de 400-meterloper deze nummers 'meeneemt' om zijn basissnelheid te vergroten. Hetzelfde geldt voor de horden lopers op de 110 en 400 meter.

Trainingsvormen
De training voor sprinters en springers is zeer divers en bestaat uit de volgende vormen.
· Algemene looptraining, als basis voor het uithoudingsvermogen, is ook voor de springer/sprinter noodzakelijk, wil hij zijn trainingsprogramma goed kunnen uitvoeren.
· Snelheidstraining wordt gedaan in allerlei vormen, bijvoorbeeld series 60-80 m, korte en lange tempolopen op techniek en/of snelheid.
· Krachttraining met apparatuur en halters wordt veel toegepast, meestal in het (sub)maximale belastingbereik.
· Specifieke kracht en sprongvermogen worden vooral geoefend via allerlei sprongvormen, zoals hinken en loopsprongen over afstanden van 20-80 meter en door de zogenoemde 'dieptesprongen'. Vooral deze laatste sprongvormen kunnen nogal eens aanleiding zijn tot blessures, met name in knie en lumbale wervelkolom.

Bij de dieptesprongen wordt van diverse hoogten gesprongen (40-100 cm), waarna tijdens de landing de knieën zo min mogelijk gebogen mogen worden en de hiel de grond niet mag raken. De neergaande beweging dient dan zo snel mogelijk in een opwaartse beweging te worden omgezet (korte amortisatietijd). Te vaak echter zijn atleten onvoldoende op deze trainingsvorm voorbereid via algemene spierversterkende oefeningen. Bij de landing treedt een hoge piekbelasting op van het passieve kapselbandapparaat. Helaas worden deze belastende trainingsvormen te vaak klakkeloos overgenomen en toegepast bij onvoldoende voorbereide (jeugd)atleten.
Vaak worden allerlei methoden gecombineerd in de zogenoemde 'complexe training'. Een 'complexe training' kan bestaan uit halteroefeningen, afgewisseld met sprongen of sprinten. Het uiteindelijke doel hiervan is het omzetten ('transfer') van de getrainde specifieke basiseigenschappen naar de wedstrijdvorm. Techniektraining is zeer specifiek en individueel gericht en vergt meer dan alleen fysieke eigenschappen. Men moet mentaal zich een goede voorstelling kunnen maken van de uit te voeren beweging en zintuiglijke informatie dient adequaat geïnterpreteerd te worden (bijv. oog-latcordinatie bij hoogspringen).

Biomechanische aspecten
Bij verspringen en hinkstapspringen volgt na een aanloop van 30-40 meter een krachtige afzet vanaf de afzetbalk. De snelheid waarmee de atleet aanloopt, is bij verspringen maximaal maar kan bij hinkstapspringen, en daar met name bij vrouwen, lager zijn. De pasfrequentie en het ritme in het laatste deel van de aanloop zijn essentieel voor een goede sprong. De afzet moet actief en snel zijn met zo min mogelijk snelheidsverlies. Het zijn met name de te grote laatste passen en een te passieve voetplaatsing op de balk die tot letsels van vooral rug en voet leiden. Met behulp van krachtplatforms zijn bij sprongen van rond de 7 meter maximale verticale afzetkrachten gemeten van 8-12 maal het lichaamsgewicht van de springer. De trekkracht op de achillespees neemt zeer hoge waarden aan, maar het is niet per definitie zo dat bij de verste sprong de grootste belasting ontstaat. De afzettechniek speelt hierbij een zeer belangrijke rol.

Bij hinkstapspringen komt na de hinkafzet de éénbenige hinklanding, die een zeer hoge hielbelasting veroorzaakt. De daarna volgende stap en sprong vergen eveneens een enorme belasting van het houdings- en bewegingsapparaat, waarbij met name voet, enkel, knie en lage rug zwaar belast worden.
Bij hoogspringen treedt door de boogvormige aanloop een sterke belasting van de middenvoet op. De aanloop is meestal negen passen lang. Bij een technisch correcte uitvoering van de 'Fosbury-flop', waarbij de latpassage ruggelings plaatsvindt, komt het lichaamszwaartepunt onder de lat te liggen. Dit was met de 'Straddle-techniek' ('buikrol') niet mogelijk. De landing op de rug houdt altijd enig risico op blessures in; de kwaliteit en de maten van de landingsmat zijn daarbij van groot belang.

Polsstokspringen is een complexe beweging en het duurt jaren voordat de moeilijke techniek is aangeleerd. Het wil dan ook wel eens voorkomen dat de polsstokhoogspringer door een foutieve techniek de stok breekt of naast de landingsbak terechtkomt! De geoefende springer loopt met een bijna maximale snelheid aan. De polsstokhoogspringer kan niet zijn maximale sprintsnelheid bereiken, doordat hij de stok moet meedragen en daardoor beperkt is in het gebruik van zijn armen.
Om een juiste techniek onder de knie te krijgen, moet men gebruik kunnen maken van meerdere glasfiberstokken, die afgestemd zijn op diverse lichaamsgewichten en verschillende te springen hoogten. Te zware of te lange stokken staan een goede techniek in de weg.
Voor verenigingen is het financieel helaas niet altijd mogelijk een dergelijk arsenaal glasfiberstokken aan te schaffen. Uit het oogpunt van blessurepreventie zou het wenselijk zijn dat de prijs van polsstokken een stuk lager was. In de afzetfase wordt immers door een te zware stok de wervelkolom in hyperextensie nog meer belast. Samen met de hierna volgende snelle rompflexie zijn dit mogelijke oorzaken voor de hoge frequentie van spondylolysis bij polsstokspringers. Deze spondylolysis kan opgevat worden als een stressfractuurtje in n zijde van de wervelboog.
Schouderletsels ontstaan bij polsstokhoogspringen vaak doordat de afzet te dicht bij de insteekbak plaatsvindt ('onderdoorlopen'), waarbij de bovenste schouder met grote kracht (in elevatie) in zijn uiterste stand gedrukt wordt.
Soms treden schouderklachten op ten gevolge van een val naast de landingsmat.

De hordennummers vergen een specifieke lenigheid in het heupgebied. Verwaarlozing van dit aspect leidt tot een verhoogde kans op blessures. De grootste belasting vindt plaats tijdens de vaak foutief uitgevoerde landing, waarbij met een holle rug en gedraaid (hyperextensie en torsie van de lumbale wervelkolom) geland wordt achter de horde.

Terug naar onderwerpen

Werpen

Voor de werpnummers in de atletiek zijn de belangrijkste specifieke grondeigenschappen: kracht en snelheid. Natuurlijk spelen ook techniek en flexibiliteit een belangrijke rol. Bij kogelstoten ligt het accent naast techniek meer op kracht; bij kogelslingeren, discus- en speerwerpen meer op snelheid. Met name bij kogelstoten en discuswerpen speelt selectie een grote rol; werpers zijn van nature groot en zwaar, anders kunnen zij bij deze nummers nooit een (redelijk) niveau bereiken. Explosieve krachtsontwikkeling is een voorwaarde om het werpmateriaal een hoge aanvangssnelheid mee te geven. De spieren van de werper bestaan dan ook voor een groot percentage uit snelle spiervezels. De meeste werpers zijn ook snel op de korte sprint en leveren goede prestaties in bepaalde sprongvormen. De techniek van de werpnummers is vaak moeilijk aan te leren en vergt vele jaren intensieve training.

Trainingsvormen
De krachttraining, die voornamelijk met halters uitgevoerd wordt omdat dit het typische krachttijdsverloop van de werpbeweging het meest benadert, is meestal (sub)maximaal gericht. De basisopbouw van een goed spierkorset kan in eerste instantie heel goed bereikt worden door spierversterkende oefeningen uit te voeren, waarbij het eigen lichaamsgewicht als last wordt gebruikt en/of door oefeningen uit te voeren op daarvoor vervaardigde apparatuur. Sprint- en springvormen dienen om de explosieve snelle spiercontracties te stimuleren. Voorwaarde is wel dat deze spierkracht in de werpbeweging kan worden overgebracht ('transfer'). Daarnaast worden deelbewegingen en submaximale worpen veelvuldig getraind.

Biomechanische aspecten

Bij alle werpnummers is het zeer belangrijk dat het werpmateriaal een zo hoog mogelijke aanvangssnelheid krijgt. Dit kan alleen bereikt worden door een optimaallange contactbaan in een zo kort mogelijke tijd met zo weinig mogelijk verstoringen te doorlopen. Er worden hoge afworpsnelheden bereikt, vooral bij het speerwerpen (± 30 m/s). De speerworp verloopt via de bovenhandse strekworp en leidt door zijn complexiteit nogal eens tot letsels. Vooral bij de inzet van de worp treedt een zeer snelle overgang op van exorotatie naar endorotatie van de bovenarm, waarbij enorme krachten optreden door de hoge hoeksnelheid van de werparm. De afworpsnelheid is vooral gecorreleerd met de kracht van de elleboog- en polsextensoren. Het grote verschil met de andere werpnummers is, dat daar de snelle overgang van exorotatie naar endorotatie ontbreekt, waardoor minder letsels van de rotatorspieren optreden. Bij de werpnummers treedt een typische indraaibeweging op met het rechterbeen (bij diegenen die rechtshandig werpen), waarbij met name de knie een forse rotatiebelasting te verwerken krijgt. De indraaibeweging heeft tot doel, bij relatief achterblijven van de romp en werparm, een voorspanning in de spieren te bewerkstelligen en zo de afworpsnelheid te verhogen.

Terug naar onderwerpen

Accommodatie en materiaal

De atletiekaccommodatie bestaat uit een rondebaan met een lengte van 400 meter, met twee rechte stukken van 100 meter, waarbij in ieder geval aan één zijde de mogelijkheid moet zijn om 110 meter horden te lopen. In een van de bochten kan een steeple-bak aangelegd worden. Op het middenveld en naast de rondebaan dienen de verschillende accommodaties te worden aangelegd voor de diverse spring- en werpdisciplines.
De ondergrond van een atletiekaccommodatie kan bestaan uit een sintel- of kunststofbaan. Met name de kunststofbanen worden snel populairder, mede doordat een sintelbaan niet altijd te gebruiken is en onderhoudsgevoelig (dus duur) is. Sporttechnisch gezien is dit een voordeel; denk maar aan de supersnelle 'Mondeo-banen' (een bepaald merk kunststof) waarop veel wereldrecords zijn gesneuveld. Sportmedisch gezien zijn er echter kanttekeningen te plaatsen. Zeker bij een plotselinge overschakeling van de training op een sintel- of grasbaan kunnen al snel meer overbelastingsletsels optreden.
Het advies dient dan ook te luiden om de algemene warming-up zoveel mogelijk op het gras van het middenveld uit te voeren.

De laatste decennia hebben zich in de atletiek grote veranderingen voltrokken, met name in het materiaalgebruik. Denk hierbij maar aan de landingsmatten bij het (polsstok)hoogspringen en de ontwikkeling van de glasfiberstok, die nog steeds verder gaat. Houten speren werden vervangen door aërodynamische aluminium speren, waardoor het wereldrecord bij de mannen boven de 100 meter kwam te liggen. In de praktijk betekende dit dat de werpers over het middenveld heen gooiden. Dit vormde een reden om het zwaartepunt van de speer naar voren te schuiven, waardoor de speer eerder (met de punt) naar beneden komt. Ook bij de vervaardiging van disci heeft de techniek niet stilgestaan.
Waren vroeger houten disci met een metalen velg de norm, tegenwoordig kan gekozen worden uit disci die uit verschillende soorten kunststof vervaardigd zijn.
Alleen de kogels worden nog steeds vervaardigd van ijzer of koper. Hetzelfde geldt voor de slingerkogel, die is bevestigd aan een staaldraad met een voorgeschreven lengte waaraan een handvat is bevestigd. Overigens zijn alle werpmaterialen gehouden aan bepaalde voorgeschreven maten, zoals diameter en dikte.
Bij het kogelstoten wordt gestoten vanuit een betonnen ring, waarvoor in de stootrichting een balk ligt. Ook bij het kogelslingeren en het discuswerpen vindt de afworpplaats vanuit een betonnen ring. Speerwerpen en balwerpen (pupillen) vindt plaats vanachter een op de grond aangegeven lijn. De (slinger)kogel, discus en speer moeten in een daarvoor uitgezette sector neerkomen, anders wordt de poging ongeldig gegeven. Bij alle werpnummers dienen de benodigde veiligheidsmaatregelen getroffen te worden om (ernstige) ongelukken te voorkomen. Zo staat om de discus- en kogelslingerring uit veiligheidsoverwegingen een (hoge) kooi om te voorkomen dat iemand op de baan door een 'verdwaalde' discus of slingerkogel geraakt wordt.

Bij de atletiekdisciplines kan gebruik gemaakt worden van beschermingsmaterialen. Zo is bij het kogelslingeren het dragen van (leren) handschoenen ter voorkoming van letsel van de hand toegestaan. Bij de werpnummers zijn polsbanden toegestaan, maar een tape waarbij de handpalm wordt bedekt of de vingers aan elkaar worden getapet is verboden! Alle overige tapes en bandages zijn wel toegestaan (bijvoorbeeld een enkeltape bij hinkstapspringen). Bij alle atletiekdisciplines mag ter bescherming van de lage rug een leren riem om de romp gedragen worden.
Verspringen en hinkstapspringen vinden plaats op een aanloopstrook, waarna vanaf een afzetbalk wordt gesprongen in een landingsbak gevuld met zand.
Bij hoogspringen en polsstokhoogspringen dient de atleet na een aanloop over een lat te springen die los op staanders ligt. De landing vindt plaats op een schuimrubber landingsmatras, die aan bepaalde afmetingen moet voldoen.

Terug naar onderwerpen

Schoeisel

De verschillende atletiekdisciplines stellen allemaal hun eigen eisen aan het schoeisel. We kunnen drie hoofdsoorten onderscheiden:
· normale trainings- of loopschoenen die worden gebruikt voor de warming-up en de (extensieve) looptraining;
· specifieke atletiekschoenen zonder punten, zowel de marathon-wedstrijdschoenen als de specifieke werpschoenen, voor kogelstoten, kogelslingeren en discuswerpen;
· specifieke baanschoenen met punten, 'spikes', zijn er in allerlei soorten, aangepast aan de eisen die de respectieve atletiekdisciplines daaraan stellen. Bij de standaarduitvoering zitten alleen punten onder de voorvoet (maximaal zes). Bij hoogspring- en speerwerpspikes zijn hakpunten gebruikelijk.
Bij atletiek zijn de eisen die aan het materiaal gesteld worden afhankelijk van het type schoen. De eisen die aan een marathon-wedstrijdschoen gesteld worden, zijn duidelijk anders dan die voor een gewichtheffersschoen, die door vele atleten bij de specifieke krachttraining gebruikt wordt. De schokdemping bij loopschoenen is belangrijk gezien het feit dat tijdens hardlopen in de contactfase drie- tot vijfmaal het lichaamsgewicht moet worden geabsorbeerd.
Een te zachte schoen is echter weer af te raden, omdat deze een toename (in de duur) van het grondcontact en een vermindering van paslengte en snelheid veroorzaakt. Bij te zachte schoenzolen moet er tijdens de afwikkeling te veel gecorrigeerd worden, wat kan leiden tot overbelasting van de pezen en enkelverzwikkingen.

De pasvorm van een schoen is erg belangrijk. Hierbij spelen naast de verschillende lengtematen ook de verschillende breedtematen een belangrijke rol. Daarnaast kunnen de linker- en rechtervoet van vorm en lengte verschillen. Het is dus belangrijk dat beide schoenen gepast worden. Aanbevolen wordt om bij het passen niet alleen met de schoenen te wandelen, maar er ook mee (hard) te lopen. Veel sportspeciaalzaken hebben de beschikking over een lopende band, waarop men de schoenen kan uitproberen. Aanbevolen wordt om dit eerst met losse veters te doen; slipt de schoen, dan is deze of te lang of te wijd. Bij een te lange schoen moet een kleinere maat geprobeerd worden, bij een te wijde schoen een smallere breedtemaat (of een ander merk met een smallere leest).
Voor atleten die een schoensupplement (sportsteunzool) dragen is het natuurlijk belangrijk dat de binnenzool die vanuit de fabriek is geleverd uit de schoen gehaaid kan worden.
Het kopen van nieuwe sportschoenen is tijdsintensief. De ontwikkelingen op het gebied van de sportschoenproductie gaan dermate snel, dat de 'schoen die de vorige keer is aangeschaft en zo goed voldeed', meestal niet meer in de handel is. Helaas blijkt de ontwikkeling ook voor de winkeliers vaak niet meer bij te houden. Het advies is dan ook om loopschoenen bij een sportspeciaalzaak met deskundige verkopers aan te schaffen op een rustig moment, zodat de verkoper de loper ook daadwerkelijk van advies kan dienen.

Terug naar onderwerpen

Voeding en drinken

Een goed uitgebalanceerde voeding is vanzelfsprekend voor iedere sporter van belang. In deze paragraaf worden een aantal belangrijke aspecten voor atleten belicht. Lange-afstandlopers verbruiken gemiddeld zo'n 12-23 MJ (= 3000 -5500 kcal) per dag. Goede lopers zijn in staat om tijdens de wedstrijd voor een groot deel hun energie uit vetverbranding te betrekken: ze sparen als het ware de spierbrandstof glycogeen voor later in de wedstrijd. Minder goede lopers verbruiken relatief meer spierglycogeen tijdens het lopen. Veel lopers proberen deze glycogeenvoorraad zo groot mogelijk te laten worden door het volgen van een speciaal dieet in de week voor een marathon ('glycogeenstapeling'). Het schema dat men het beste hiervoor kan hanteren is het volgende: tot zo'n vijf dagen voor de wedstrijd nog intensief trainen en tegelijk een 'normaal' gemengd dieet gebruiken (50-55 E%-koolhydraten); de laatste dagen voor de wedstrijd de training sterk reduceren en een koolhydraatrijk dieet gebruiken (60-65 E%-koolhydraten). Een voordeel van een dergelijke glycogeenstapeling is dat er langer op een hogere intensiteit gelopen kan worden. Wel dient opgemerkt te worden dat deze glycogeenstapeling alleen zinvol is boven afstanden van 20-22 km. De laatste maaltijd voor de start kan het beste niet al te groot zijn en uiterlijk twee tot drie uur voor de start worden genomen.
De samenstelling van deze laatste maaltijd dient koolhydraatrijk, maar vet- en eiwitarm te zijn. Het gebruik van witbrood wordt aanbevolen in verband met het 'stoppend effect' hiervan op de stoelgang.
De behoefte aan vocht en elektrolyten wisselt en is van vele factoren afhankelijk.
Uitdroging (dehydratie) moet men echter te allen tijde vermijden, omdat een uitdroging van 2% al een prestatiedaling geeft. Daar dorst een onvoldoende prikkel blijkt te zijn voor voldoende vochtopname, moet men ook het lichaamsgewicht als controlemaat hanteren. Men kan, zeker op warme dagen, tot tien minuten voor de start nog tot maximaal 0,5 liter drinken. Tijdens de wedstrijd (en uiteraard ook bij lange trainingslopen) is het verstandig elke 15-25 minuten ongeveer 150-200 ml te drinken.
Ook dit is iets dat men moet trainen! Belangrijk is dat men water en suikers (glucose) drinkt, eventueel aangevuld met elektrolyten. De concentratie moet iso- of hypotoon zijn, dat wil zeggen een gelijke of lagere concentratie van opgeloste deeltjes bezitten dan het bloed. Bij koud weer mag de concentratie iets hoger zijn.
Aanbevolen wordt om de vloeistof koel (± 15C) te drinken, maar hierbij is de persoonlijke voorkeur van de atleet het belangrijkste.
Na een wedstrijd is het zinvol het vochtverlies en de glycogeenvoorraad zo snel mogelijk weer aan te vullen. Uit onderzoek is gebleken dat de glycogeenvoorraad in de eerste twee uur na inspanning snel(ler) wordt aangevuld, zodat het aan te bevelen is binnen twee uur na beëindiging van de wedstrijd een koolhydraatrijke voeding te nuttigen, die eventueel kan bestaan uit een sportdrank waar koolhydraten in opgelost zijn.
Verder kan het zinvol zijn, met name tijdens intensieve trainingsblokken, extra vitamines en mineralen te nemen. Hoewel dit in principe overbodig is bij een goed samengestelde voeding, blijken intensief trainende sporters veel 'lege' voedingsmiddelen te gebruiken als snoep, koek en frisdrank, die wel veel calorieën maar weinig vitamines bevatten.

Terug naar onderwerpen

Typische blessures bij lopers

Heup- en bilregio
Lopers klagen nogal eens over een zeurende pijn aan de zijkant van het bovenbeen of de bil, die vooral tijdens het lopen optreedt en die verergert bij zijwaarts bewegen van het been. De klacht kan veroorzaakt worden door een slijmbeursontsteking (bursitis trochanterica) of een peesontsteking van de aanhechting van een van de bilspieren (m. gluteus medius). Mogelijke oorzaken zijn:
te sterke romprotatie, een dysbalans tussen de kracht van de spieren aan de buitenkant van het bovenbeen (abductoren) en de spieren aan de binnenkant van het bovenbeen (adductoren) en het stelselmatig lopen aan een zijde van de weg (weg helling). Bij vrouwen kan een breed bekken van invloed zijn.
Bij het 'piriformis-syndroom' kan er pijn in de bil en tevens aan de achterzijde van het bovenbeen optreden.
Bij dit pijnsyndroom treedt prikkeling op van de zenuw die uit de rug naar het been loopt (nervus ischiadicus) doordat deze diepe bilspier een te hoge spierspanning (hypertonie) krijgt, wat kan optreden bij zware training, zoals heuvelafwaarts lopen. Prikkeling van deze zenuw kan een uitstralend pijnbeeld geven (pseudoradiculair). Deze pseudoradiculaire klachten kunnen echter ook veroorzaakt worden door irritatie van de gewrichtsbandjes (ligamenten) van de facetgewrichten (gewrichtjes tussen de wervellichamen) of van het sacroiliacaal gewricht (gewricht dat de verbinding vormt tussen de lage rug en het bekken); structuren die eveneens zwaar belast worden bij bijvoorbeeld heuvelafwaarts lopen.
Scherpe pijn aan de achterzijde van het bovenbeen kan ook veroorzaakt worden door een scheur in de hamstrings. Ter voorkoming van deze blessure is het van belang dat de kracht van de spieren die het bekken moeten stabiliseren (o.a. de buikspieren!) goed opgetraind zijn om te voorkomen dat bij vermoeidheid vooroverkanteling van het bekken optreedt.
Als het bekken namelijk vooroverkantelt, wordt de knie-inzet aan het einde van de voorste zwaaifase onmogelijk door de toegenomen rek op de ham-strings. Door deze toegenomen rek neemt het risico van het ontstaan van hamstringletsels toe.

Liesgebied
Lopers worden ook nogal eens geconfronteerd met pijn in de lies, waarbij niet alleen de spieren aan de binnenzijde van het bovenbeen (adductoren) pijnlijk zijn, maar ook het bot ter plaatse van de spieren bij de aanhechting aan het bekken (symphysis). Vaak is ook de aanhechting van de buikspieren aan de bovenrand van de symphysis pijnlijk bij druk en bij aanspannen van de buikspieren. Bij deze blessure zijn de spieren die het bekken stabiliseren vaak onvoldoende op kracht of op lengte. Het herstel van deze blessure kan verscheidene maanden duren!

Knie
De belasting van de knie is bij lopen aanzienlijk, waardoor lopers veelvuldig aan dit gewricht en de pezen die daaromheen aanhechten geblesseerd zijn. In dit gebied kunnen vele soorten blessures ontstaan, waarbij de juiste diagnose niet altijd even gemakkelijk te stellen is door de complexiteit van het kniegewricht.
Hieronder worden de meest voorkomende knieblessures besproken.

Patello-femoraal pijnsyndroom
De pijn bij het patello-femoraal pijnsyndroom is gelokaliseerd rondom of achter de knieschijf (patella), vooral bij heuvelopwaarts en heuvelafwaarts lopen en bij lang stilzitten ('theaterknie'). Het gaat vaak gepaard met 'kraken' (crepitaties) van de knieschijf, doorzakken en het gevoel dat de knie niet meer kan buigen of strekken (pseudoslotklachten). De pijnklachten worden veroorzaakt door een irritatie van het gewrichtskraakbeen (chondropathie) achter de knieschijf.
Het feit dat er pijn wordt gevoeld, wil niet zeggen dat er bij een 'kijkoperatie' (artroscopie) per definitie ook iets afwijkends aan het kraakbeen gevonden wordt. Deze pijnklachten ontstaan vaak door trainingsfouten of doordat de knieschijf niet goed 'glijdt' ten opzichte van het bovenbeen in het patellofemorale gewricht bij buigen en strekken van de knie. Dit kan bijvoorbeeld veroorzaakt worden door een standsafwijking van de knie (zoals 'X-knieën'), terwijl ook 'met de knieën overstrekt staan' berucht is bij de provocatie van deze klachten. Daarnaast is het van belang dat de spieren aan de voorzijde (quadriceps) of aan de zijkant van het bovenbeen (tensor fasciae latae) op kracht en op lengte zijn.
Knieklachten berustend op chondropathia patellae worden vaak de 'runners knee' genoemd

Apexitis patellae
Vaak gaan bovengenoemde chondropathie-klachten gepaard met pijnklachten aan de punt van de knieschijf bij actieve strekbewegingen, zoals de trap oplopen, fietsen en springen. De aanhechting van de kniepees aan de onderpooi van de knieschijf (apex patellae) is pijnlijk bij druk en eventueel ook bij rekken en aanspannen van de m. quadriceps. Deze spier is vaak verkort of onvoldoende op kracht. Vaak wordt de irritatie van de aanhechting van de knieschijfpees (apexitis patellae) de 'jumpers knee' genoemd, omdat springers (ook) vaak last hebben van deze peesirritatie.

Tendinitis van de m. popliteus
Klachten aan de buitenzijde van de knie, goed gelokaliseerd en vooral optredend bij rotatiebewegingen (lopen in los zand) en heuvelafwaarts lopen, zijn meestal terug te voeren op een irritatie van de pees van de m. popliteus. Deze spier loopt in de knieholte en wordt zwaar belast bij genoemde activiteiten, waarbij draaibewegingen in de knie gecorrigeerd moeten worden.

Tractus iliotibialis frictiesyndroom
Zijn de klachten wat diffuser gelokaliseerd en ontstaan ze pas na enige tijd lopen, dan is er waarschijnlijk sprake van een frictiesyndroom van de tractus iliotibialis. Deze tractus is een peesplaat van de tensor fasciae latae, die juist onder de knie aanhecht. Het is een typische loopblessure, die tijdens een training of wedstrijd vaak acuut ontstaat, vooral als er heuvel af of op een schuin aflopende ondergrond gelopen wordt. Typisch voor deze blessure is dat de pijnklachten weer verdwijnen bij wandelen of stilstaan. Vaak is de pijnklacht op te wekken door de tractus op rek te brengen of door die knie herhaaldelijk tot 30 graden te buigen en weer te strekken. Bij deze klachten dient onderzocht te worden of er geen letsel is van de laterale meniscus.

Meniscusletsel
In de knie zit zowel aan de binnen- als de buitenzijde een kraakbenige schijf. Deze menisci vangen veel schokken op en zorgen ervoor dat de gewrichtsoppervlakken van het boven- en onderbeen goed op elkaar aansluiten. Kortom, een meniscus is van grote waarde voor het functioneren van een knie. Helaas kan de meniscus beschadigen, waarbij scheurtjes ontstaan. Deze beschadiging kan als een soort overbelastingsblessure ontstaan, maar ook acuut, met name als de knie verdraaid wordt. In beide gevallen worden de pijnklachten meestal in de gewrichtsspleet aangegeven. Bij overbelasting van de meniscus kan een zwelling ontstaan in de gewrichtsspleet (men iscuscyste) met hinderlijke pijn bij hardlopen en draaibewegingen. Als de knie dik wordt en slotverschijnselen optreden, kan de meniscus gescheurd zijn. In dit geval kan het noodzakelijk zijn om het beschadigde gedeelte van de meniscus te verwijderen, waarbij zoveel mogelijk meniscus achtergelaten wordt. Deze operatie kan heel goed artroscopisch ('kijkoperatie') verricht worden.

Onderbeen
Ook het onderbeen kan op verschillende plekken geblesseerd raken.

'Tibia stress-syndroom'
De meest voorkomende blessure in het onderbeen is het tibia stress-syndroom. Deze blessure is bijna altijd gelokaliseerd aan de binnenzijde van het scheenbeen op de grens van het onderste en middelste derde deel van de tibia.
Er treedt zwelling op en er wordt (hevige) pijn aangegeven bij druk op de gezwollen plek en bij de landing na een sprong. Deze blessure kan overgaan in een stressfractuur van de tibia. Deze blessure wordt vaak veroorzaakt door de trainingsbelasting (springen) te snel op te bouwen, waarbij de overgang van de wintertraining naar de zomertraining (op spikes) berucht is. Zeker als de desbetreffende atleet 'knik-platvoeten' heeft, wordt het risico van deze blessure groot. Bij de behandeling van deze blessure zijn zowel spierversterkende als rekkingsoefeningen voor de voet- en kuitspieren noodzakelijk. Ook aanpassing van het schoeisel (verbetering van schokdemping en ondersteuning onder de mediale zijde van de voetboog) geeft vaak verbetering. Een goede periodisering van de training is eveneens essentieel. waarbij met name een te snelle opbouw van sprongkrachtoefeningen de klachten provoceren, zeker als deze uitgevoerd worden op spikes en een harde ondergrond.

Overbelasting kuitspieren
Bij (acute) overbelasting kan een scheurtje optreden in de oppervlakkige kuitspier (gastrocnemius). Dit scheurtje treedt meestal op aan de binnenzijde van de kuit op de overgang van spier naar pees en wordt in de volksmond een 'zweepslag' genoemd. De diepe kuitspieren zijn vaak chronisch overbelast, wat diep in de kuit zeurende pijnklachten kan geven. Geregeld komt deze overbelasting van de diepe kuitspieren gezamenlijk voor met de hierboven beschreven 'shin splints'. Gezien het feit dat de factoren die leiden tot overbelasting van de kuitspieren, vaak dezelfde zijn als hierboven genoemd bij 'shin splints', worden grotendeels ook dezelfde adviezen geven bij de preventie en behandeling. Daarnaast is (frictionerende) massage van de aangedane spiergroepen aan te bevelen.

Logesyndromen
Soms kan overbelasting van spieren die in een spierfascie liggen overgaan in een logesyndroom, waarbij de toegenomen weefseldruk in de spieren kan leiden tot een 'afklemming' van de spieren, vaten en zenuwen die in deze loge lopen. Bij lopers betreft het relatief vaak de diepe achterste loge (m. tibialis posterior, m. flexor hallucis longus, m. flexor digitorum long us), waarbij zeurende pijn tijdens inspanning en krachtsvermindering de meest voorkomende klachten zijn. In deze gevallen kan in het algemeen volstaan worden met de eerder genoemde maatregelen ter preventie en behandeling. Zeker in het geval dat er ook tekenen zijn van zenuwbeschadiging (gevoelsstoornissen) en doorbloedingsstoornissen, zal het chirurgisch openklieven van de fascie (fasciotomie) vaak uitkomst brengen.

Achillodynie
Een achillodynie (pijn in de achillespees) is de schrik van elke atleet. Achillodynie is een verzamelnaam voor pees(aanhechtings)ontsteking, ontsteking van het peesvlies rondom de achillespees (peritendinitis) en de slijmbeurs die achter de achillespees ligt. In de acute fase kan achillodynie gepaard gaan met zwelling en crepiteren ('kraken'). In een chronische fase is vaak een verdikking in de pees te voelen, die duidt op degeneratieve afwijkingen ('ouderdom'). Zeker bij deze blessures geldt dat voorkomen beter is dan genezen, gezien het feit dat genezing vele maanden in beslag kan nemen! De eerste klachten bestaan meestal uit lokale drukpijn en een pijnlijke stijfheid in het begin van de training.
Het misleidende van deze (pees)blessure is, dat er 'door de klachten heen getraind kan worden' en de klachten in eerste instantie tijdens de warming-up verdwijnen. Helaas komen de klachten echter na de training weer (in heftiger) mate terug. Als er geen maatregelen getroffen worden zal het steeds langer duren voordat de klachten tijdens het sporten verdwijnen, tot het moment dat de pijn continu aanwezig is tijdens sporten. Vaak kan in eerste instantie nog wel met deze pijn doorgelopen worden, maar uiteindelijk zal het stadium aanbreken waarbij de sportbeoefening gestaakt zal moeten worden, en de pijn ook in het dagelijks leven prominent aanwezig is. Soms kan de achillespees (gedeeltelijk) afscheuren, waarbij in het algemeen hevige pijn gevoeld wordt en belast lopen vaak onmogelijk is. In dit geval is vaak chirurgisch ingrijpen en langdurige rust (in gips) noodzakelijk. Soms treedt een (gedeeltelijk) afscheuren van de achillespees op zonder dat er vooraf tekenen zijn geweest van een achillodynie.

Het is verstandig om bij de geringste klacht de training aan te passen. Standsafwijkingen van de voet dienen bij lopers met een intensief trainingsprogramma dan ook gecorrigeerd te worden bij de eerste tekenen van irritatie.
De atleet kan zelf veel doen om erger te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het uitvoeren van rekkingsoefeningen voor zowel de oppervlakkige als de diepe kuitspieren, ijsmassage van de pees en massage van de kuitspieren.
Daarnaast hebben veel atleten er baat bij om een extra schokabsorberend hakje in hun schoenen te leggen. Het genezingsproces van de pees kan ondersteund worden door fysiotherapeutische behandeling (applicaties, frictionerende massage). Na herstel van de blessure is een zeer geleidelijke trainingsopbouw noodzakelijk. Door de rustperioden is de trekvastheid en de doorbloeding van de pees, die toch al minimaal is in het gebied 5 - 7 cm boven de aanhechting op het hielbot, namelijk verminderd. Hervatten van de training, na een gedwongen periode van rust, verhoogt de kans op het krijgen van peesklachten. Een achillespeesletsel komt eerder voor bij een spierdysbalans van de onderbeenspieren, bij een instabiele enkel en bij slecht (stabiliserend/schokdempend) schoeisel.

Bij kinderen kunnen onbegrepen hielklachten, zoals pijn bij hardlopen en lokale drukpijn, veroorzaakt worden door een groeischijfirritatie (apophysitis) op de plaats waar de achillespees aan het hielbeen aanhecht. Rust, trainingsaanpassing en het dragen van een schokabsorberend hakje in de schoenen brengen vaak de oplossing.

Voet
De meest vookomende blessures aan de voet zijn de volgende.

Fasciitis plantaris
Pijn onder de voet kan veroorzaakt worden door een irritatie van de peesplaat onder de voet (fascia plantaris). De pijn is vooral gelokaliseerd op de plaats waar deze peesplaat onder de hak aanhecht en treedt in eerste instantie vooral 's morgens bij het opstaan op. Korte kuitspieren kunnen deze aandoening provoceren, evenals 'knik-platvoeten', stugge schoenzolen en lopen in los zand. De behandeling kan bestaan uit het rekken van de peesplaat, versterkende oefeningen van de voetspieren en het dragen van een ondersteunend zooitje, dat onder de pijnlijke plek extra zacht gemaakt wordt).

Metatarsalgie
Zit de pijn meer in de voorvoet dan spreekt men van een metatarsalgie. Deze kan veroorzaakt worden door te grote belasting van de gewrichtsbanden van de voorvoet of door een verdikking van een zenuwtakje (neuroom) dat meestal is gelegen tussen de derde en vierde teen (soms tussen de tweede en derde) en ingeklemd raakt. Deze blessure kan vaak goed behandeld worden door het dragen van een (voor de voorvoet) ondersteunend zooitje.

Peesirritaties
Een irritatie van de pees van de spier die de grote teen naar boven beweegt (m. extensor hallucis longus) geeft pijn boven op de wreef en wordt soms mede veroorzaakt doordat de veters te strak zijn aangetrokken. Samen met de irritatie van aanhechting van de pees van de spier die de voet naar boven beweegt (m. tibialis anterior), is dit een veel voorkomende blessure bij snelwandelaars.
De behandeling bestaat uit ijsmassage, aanpassing van de training en spierversterking.

Slijtage basisgewricht
grote teen Bij slijtage van het basisgewricht van de grote teen treedt vaak 'verstijving' op (hallux rigidus), wat een typische loperskwaal is. De beperkte mogelijkheid om de teen naar boven te buigen (dorsaalflexie) maakt een goede voetafwikkeling onmogelijk en zal tot een verstoord looppatroon leiden. Een afwikkelbalkje dat onder de voorvoet in de schoenzool verwerkt kan worden, zal in de beginfase verbetering kunnen geven.

Stressfracturen
Stressfracturen (vermoeidheidsbreukjes) zijn berucht en treden vooral op bij adolescenten, die vaak al wel zwaar belast worden in de training maar van wie het skelet nog niet volledig belastbaar is. Vaak is een lokale zwelling zichtbaar en wordt pijn aangegeven bij drukken, bij de landing en eventueel in rust. De diagnose is dikwijls aan de hand van de klachten wel duidelijk. Soms is nader onderzoek noodzakelijk. Hierbij is het van belang te weten dat stressfracturen vaak niet zichtbaar zijn op een röntgenfoto, maar wel goed aangetoond kunnen worden met meer specialistisch onderzoek, zoals een Technetiumscan, een CT-scan of een MRI. In de voet zijn vaak de pijpbotjes die in de voorvoet liggen (metatarsalia II, III, IV) aangedaan. Ze hebben een gunstige genezingstendens en genezen in het algemeen binnen zes weken.
Een duidelijk minder gunstige prognose heeft een stressfractuur van de margo anterior van de tibia en van het os naviculare van de voetwortel. Het os naviculare wordt tijdens de afwikkelbeweging (pronatie) bij lopen zwaar belast. Daarbij is de herstelmogelijkheid in dit botje beperkt doordat de bloedvoorziening matig is. Genezing van beschreven stressfracturen kan vaak vele maanden in beslag nemen, waarbij soms totale (voorvoet) rust noodzakelijk is (krukken, gips) of zelfs een operatie.

Diverse andere problemen bij lopers
Maag-darmklachten
Lopers hebben nogal eens maag-darmklachten. Meestal betreft het hier krampen, winderigheid en frequente dunne ontlasting, soms vermengd met bloed.
Deze klachten treden meestal op bij een snelle stijging van het aantal kilometers of bij een verhoging van de trainingsintensiteit, waarbij de samenstelling van de voeding zeker een rol speelt. Men denkt dat deze klachten veroorzaakt worden door een relatief tekort aan bloed in de darmwand zelf, doordat tijdens lichamelijke inspanning vooral de arbeidende spieren van bloed worden voorzien. Ter voorkoming van deze klachten is het belangrijk dat er voldoende gedronken wordt!

IJzertekort
Vooral bij vrouwen die intensief lopen is de kans groot dat er een ijzertekort ontstaat. Het maandelijks bloedverlies tijdens de menstruatie, samen met de verhoogde uitscheiding van ijzer in het zweet, maakt hen tot een risicogroep. Bovendien is uit voedingsonderzoek bij sportmensen gebleken dat de voeding van de (vrouwelijke) sporter vaak maar een marginale hoeveelheid ijzer bevat, terwijl de ijzeropname vaak niet optimaal is door gelijktijdig gebruik van koffie, thee of melk bij de maaltijd. Als uit laboratoriumonderzoek (ferritine-concentratie in bloed) blijkt dat er een tekort is aan ijzer, kan deze in het algemeen goed aangevuld worden door het (tijdelijk) slikken van ijzertabletten.

Menstruatiestoornissen
Bij loopsters treden vaak menstruatiestoornissen op, die in het algemeen bestaan uit het onregelmatig worden of zelfs het helemaal verdwijnen van de menstruatiecyclus (amenorroe). Een van de factoren die bij het ontstaan hiervan een rol kan spelen is het lage vetpercentage 17%) dat bij lange-afstandloopsters nogal eens wordt gevonden. Het lichaamsvet is namelijk essentieel bij het op peil houden van de hoeveelheid vrouwelijke hormonen. Uit onderzoek is gebleken dat vrouwen bij wie de menstruatie onregelmatig of afwezig is, een verhoogde kans hebben op het ontstaan van botontkalking (osteoporose), blessures in het algemeen en vermoeidheidsbreukjes (stressfracturen) in het bijzonder!

Preventieve maatregelen
Het is vanzelfsprekend dat opsporing van risicofactoren zoals statiekafwijkingen, spierverkortingen of een beenlengteverschil een eerste vereiste is om overbelastingsletsels te voorkomen.
Andere maatregelen zijn aanpassingen van het schoeisel en oefentherapie.

Schoenaanpassingen en schoensupplementen
Het aanmeten van schoensupplementen bij onder andere knik-platvoeten en een hakverhoging ter correctie van een beenlengteverschil kan ertoe bijdragen dat een overbelastingsblessure wordt voorkomen. Het nut van supplementen moet overigens ook niet overschat worden. Het resultaat ervan hangt af van een juiste indicatiestelling. Het kan klachten doen verdwijnen, maar ook andere klachten veroorzaken in de lage rug, aan de buitenzijde van de knie of in de voet.
Stabilisatie van het hielbot (calcaneus) via een mediale en laterale wig kan de trekhoek van de achillespees optimaliseren en zo letsels voorkomen. Zoals al beschreven is, kan het laten aanbrengen van afwikkelbalkjes in de schoenzool bij een stijf wordend grote teengewricht veel baat geven. Bij iemand die (herhaaldelijk) last heeft van een overbelastingsblessure kan het noodzakelijk zijn om een gevonden beenlengteverschil te compenseren door middel van een hakzoolverhoging. De vraag wanneer dit dient te geschieden, is aan veel discussie onderhevig. Orthopeden adviseren meestal bij een verschil van meer dan 2 cm een correctie te geven. In de sportgeneeskunde is men geneigd dit veel eerder te doen. Vaak verdwijnen na kleine correcties (0,5-1 cm) onbegrepen klachten.

Oefentherapie
Oefentherapie wordt met name geadviseerd voor het verbeteren van de spierkracht van de voeten en de spierlengte van bijvoorbeeld de kuitspieren. Rekkingsoefeningen spelen een zeer belangrijke rol in de preventie van overbelastingsletseis. Met name is dit het geval bij de 'runners knee' waar een verkorte m. quadriceps en m. tensor fasciae latae de zijdelingse beweeglijkheid van de knieschijf (patella) vermindert en zo het risico van patello-femorale chondropathieklachten doen toenemen.
Van groot belang zijn ook extra spierversterkende oefeningen voor de spieren aan de voorzijde van het onderbeen (m. tibialis anterior), de hamstrings, de buikmusculatuur en de ab- en adductoren van de bovenbeen. Ten aanzien van de training geldt dat te allen tijde afwisseling van terrein, intensiteit en omvang moet worden nagestreefd (periodisering I). Een trainingslogboek, door de atleet zelf bijgehouden, is hierbij onontbeerlijk om inzicht te krijgen in de mogelijkheden en onmogelijkheden van de atleet.

Terug naar onderwerpen

Typische blessures bij springen en sprinten

Wervelkolom
Rugklachten komen nogal eens voor na grote sprongbelastingen of acuut na een verkeerde landing. Dit laatste treedt vooral op bij technisch slecht uitgevoerde dieptesprongen. Meestal is de oorzaak van de lage rugklachten gelegen in de rugspieren (m. erector trunci, m. quadratus lumborum) en de ligamenten (bandjes) van de facetgewrichten, die onderling scharnieren van de respectieve wervellichamen mogelijk maken. Toch moet men onder andere bij polsstokhoogspringers rekening houden met een afwijking aan de wervel(boog) zelf. Er wordt bij deze discipline een verhoogde frequentie van spondylolysis gevonden, welke is gerelateerd aan het aantal trainingsjaren. De invloed van het gebruikte materiaal, in dit geval de glasfiberstok, op het ontstaan van specifieke sportletsels is hier duidelijk aantoonbaar. Spondylolysis kan een aangeboren afwijking zijn, maar komt bij polsstokhoogspringers (en speerwerpers) vaak voor als (overbelastings)blessure ten gevolge van de genoemde zware rug belasting. Als de spondylolysis dubbelzijdig voorkomt, kan dit leiden tot een (gering) 'afschuiven' van de wervels ten opzichte van elkaar, wat vaak (pseudoradiculaire) pijnklachten geeft.

Bij verspringen leiden een te grote laatste pas in de aanloop, waarbij 'stemmend' wordt afgezet, en de landing regelmatig tot rugklachten. Vaak betreft het hier jonge sportmensen bij wie spierkracht, aanloopritme en techniek nog onvoldoende zijn ontwikkeld.

Heup en bovenbeen
Typische spierblessures bij sprinters en springers zijn de (meestal partiële) scheuren (rupturen) van hamstrings en m. quadriceps. Er is sprake van acuut scherpe pijn in respectievelijk achterzijde en voorzijde van het bovenbeen. Vooral de hamstringruptuur is berucht om zijn hoog recidiefpercentage. Gebleken is dat snelle mobilisatie na een spierruptuur het functieherstel bespoedigt. Goede eerstehulpverlening in de vorm van rust (immobilisatie), koelen met ijs, het aanleggen van een drukbandage (compressie) en het hoog leggen van het been (elevatie) dragen hier natuurlijk ook toe bij.
Pijn in de heup- en bilregio heeft dezelfde oorzaken als genoemd bij lopers. Vooral bij jongeren moet men bedacht zijn op het 'uitscheuren' (avulsiefracturen) van de spieren die aanhechten rondom het bekken (spina iliaca anterior superior, trochanter major en tuber ischiadicum).
Liesklachten worden nogal eens bij hordenlopers gezien. Meestal zijn dit problemen van de adductorenaanhechtingen, al dan niet met een reactieve ontsteking van het botvlies door de te grote trekbelasting (tractieperiostitis).

Knie
Ook bij sprinters en springers is de knie veelvuldig geblesseerd. De meest voorkomende blessures bij deze atleten sommen wij hieronder op.

Apexitis patellae
Pijnklachten aan de punt van de knieschijf, veroorzaakt door een irritatie (tendinitis) van de pees van de quadrice ps die over de knieschijf heen loopt, komen bij springers veelvuldig voor. Men spreekt ook wel van de 'jumpers knee'.
Het is een typisch surmenageletsel, veroorzaakt door overbelasting van het strekapparaat van de knie, zoals kan optreden bij sprongtraining en krachttraining (kniebuigen). Zie ook paragraaf 5.4.3, waarin de knieletsels bij lopers beschreven worden. Vermijden van explosieve beenstrekking tijdens de training en daarbuiten (fietsen, traplopen) behoren tot de eerste te nemen maatregelen.

Apophysitis
Bij jeugdige sprinters en springers kan een groeischijfirritatie (apophysitis) optreden aan de punt van de knieschijf of op het onderbeen, waar de pees van de quadriceps aanhecht. Deze laatste blessure wordt de 'Osgood Schlatter' genoemd. Ook hier is de voornaamste klacht: pijn bij (zware) belasting van het strekapparaat van de knie. In principe is de behandeling van deze groeischijfirritaties in grote lijnen hetzelfde als bij de apexitis patellae; zowel in de sport als in het dagelijks leven moet de belasting dusdanig worden aangepast dat de sporter geen pijn voelt. Wordt toch door deze pijnklachten 'heengetraind', dan kunnen in de pees 'tractiesporen' van bot worden gevormd en kunnen stukjes van de groeischijf als losse botstukjes in de pees komen te liggen. Dit kan bij de latere sportbeoefening aanleiding geven tot blijvende pijnklachten.

Ontstekingen van pezen en slijmbeurzen
Ontstekingen van pezen en slijmbeurzen aan de binnenzijde van de knie worden gezien na chronische (over)belasting van de mediale bovenbeenspieren (m. sartorius, m. semitendinosus, m. gracilis, de zgn. pes anserinus).

Blauwe plekken
Hordenlopers hebben nogal eens een blauwe plek (hematoom) aan de binnenzijde van de knie en/of de binnenzijde van de enkel van het doortrekbeen, opgelopen door een botsing met de horde.

Onderbeen
Het voorkomen van onderbeenblessures heeft een grote overlap met de onderbeenblessures die bij lopers voorkomen, met name voor wat betreft de achillespeesblessures en de 'shin splints'. Hoewel de achillespezen en de scheenbenen bij sprinters en springers minder langdurig en minder frequent belast worden, zijn de belastingen per afzet natuurlijk groter dan bij 'gewoon' lopen. Met name de scheenbeenklachten geven in de regel meer problemen. Vooral de sterke excentrische spierbelasting bij sprinters en springers geeft daartoe aanleiding.

Enkelverzwikkingen (distorsies) ontstaan nogal eens door de veelvuldig voorkomende complexe imitatiebewegingen in de trainingsprogramma's. De 'springersenkel' is meestal een lokale irritatie (synoviitis) van het achterste gewrichtskapsel van het bovenste spronggewricht van de enkel. die ontstaat door de voet bij de afzet te ver voor het lichaam uit te plaatsen. Daardoor wordt de enkel in plantairflexie te zwaar belast. Bij lichamelijk onderzoek kan deze pijn vaak opgewekt worden door deze plantairflexie passief uit te voeren, waarbij de typische pijnklachten optreden aan de achterzijde van het enkelgewricht. Als de voet bij de afzet ook nog te veel naar buiten wordt gedraaid, kunnen de pijnklachten meer aan de buitenzijde van het enkelgewricht aangegeven worden. Daarnaast is het risico op een kneuzing (contusie) van de onder- of buitenzijde van de hak toegenomen. Deze klachten zijn vaak hardnekkig, omdat zowel de enkel als de hak bij springtrainingen telkens weer intensief worden belast.
Voet

Pijn onder de voorvoet (metatarsalgie) wordt vooral na de invoering van de kunststofbanen veel gezien. Een insufficinte voetstructuur en hordenlopen geven vaak een verhoogde kans op deze klacht. Vooral jonge meisjes klagen hierover; het dragen van slecht schoeisel buiten de training is mede oorzaak van de overbelasting. Overbelasting van het midtarsale gewricht is bij de flopsprong zo frequent dat men zelfs spreekt van een 'floppers-voet'. Klachten van een dergelijke 'floppers-voet' kunnen veroorzaakt worden door kapsel bandletsel van de gewrichten van de enkel en de middenvoet, door stressfracturen van met name het os naviculare en door irritatie van pees(aanhechtingen) rondom de enkel of de middenvoet.

Preventieve maatregelen
Preventie van blessures in de spring- en sprintdisciplines is erg moeilijk, omdat meestal op een zeer hoog, intensief niveau moet worden getraind. Minder intensieve training leidt vaak tot een teruggang van specifieke fysieke eigenschappen. Bij de preventie van blessures in de spring- en sprintdisciplines is preventief onderzoek van het houdings- en bewegingsapparaat noodzakelijk. Bij dit onderzoek wordt onder andere gelet op de statiek van de onderste extremiteiten, de functie en de stabiliteit van lage rug, heupen, knieën en enkels, terwijl er ook gekeken wordt naar bijvoorbeeld de aanwezigheid van een beenlengteverschil (> 1 cm), spierverkortingen en verstoring van de krachtbalans. In de training zijn van wezenlijk belang: voetgymnastiek (vaak verwaarloosd), spierversterkende oefeningen voor bekkenstabilisatoren en een goed algemeen krachtniveau voor het kunnen ondergaan van intensieve springbelasting. Een juiste techniek kan het blessurerisico sterk reduceren. Na een blessure is een geleidelijke opbouw via deeloefeningen essentieel om een recidief te voorkomen.

Terug naar onderwerpen

Typische blessures bij werpers

Schouder en bovenarm
Het is voor het stellen van een juiste diagnose heel belangrijk dat men een goede indruk heeft van het bewegingsverloop van het betreffende werpnummer. De meeste werpblessures van de schouder zijn chronische overbelastingsletsels, waarvan het moeilijk kan zijn om een juiste diagnose te stellen. Bij het schouderonderzoek is de plaats waar de pijn wordt aangegeven meestal zeer misleidend omdat de sporter de pijn op een andere plaats voelt dan waar het letsel zich bevindt ('referred pain'). De pijn wordt meestal in het gebied van de bovenarm (m. deltoideus) aangegeven.
Ook röntgenfoto's zijn maar van beperkte waarde, daar kalkafzetting in de peesaanhechtingen van de rotatoren ('rotatorencuff') slechts in 50% van de gevallen correspondeert met de juiste lokalisatie van het letsel. De laatste jaren is het echo-onderzoek van de schouder verder ontwikkeld. Bij dit onderzoek kan met behulp van 'geluidsgolven' een goede afbeelding gemaakt worden van de pezen en de slijmbeurs. Ook met een MRI-onderzoek, waarbij met behulp van magnetische golven een afbeelding van de schouder en omliggende weke delen verkregen kan worden, kunnen vele aandoeningen van de schouder aangetoond worden.

De functietests geven vaak geen duidelijke verstoring aan en meestal treedt de pijn alleen heftig op bij de specifieke werpbeweging. Veel van deze klachten zijn terug te voeren op letsels van pezen rondom de schouder (supraspinatus, biceps of rotatorencuff). De spieren van de rotatorencuff zelf zijn minder vaak aangedaan. Bij een (geringe) instabiliteit van het schoudergewricht kan (hevige) pijn optreden tijdens de bovenhandse werpbeweging. Een positieve 'apprehension test' is vaak een aanwijzing voor deze aandoening. Slijmbeursontstekingen (bursitis) kunnen al dan niet in combinatie met een peesontsteking voorkomen, waarbij de secundaire kalkafzetting in de slijmbeurs (bursitis calcarea) berucht is.

Bij werpers komt ook nogal eens een slijtage (artrose) voor van het acromioclaviculaire gewricht (AC-gewricht). Meestal is dit een gevolg van te intensieve krachttraining. Een botscan (onderzoek met radioactief materiaal) is meestal noodzakelijk om deze afwijking aan het licht te brengen.

Elleboog
Typische pijn aan de mediale zijde van de elleboog (epicondylus medialis) wordt veroorzaakt door een irritatie van de peesaanhechtingen van de polsflexoren en van de mediale band van het elleboog gewricht ('werpersarm')
Incidenteel worden de klachten veroorzaakt doordat de zenuw die aan de binnenzijde van de elleboog loopt (nervus ulnaris) uit zijn groeve glijdt. Soms ontstaat botaanwas op de epicondylus medialis. Artrose van het ellebooggewricht komt voor, waarbij gewrichtsmuizen (losse botstukjes) in het ellebooggewricht aangetroffen kunnen worden. Bij deze artrose treedt nogal eens een beperkte functie (flexie- en/of extensiebeperkingen) van de elleboog op. Een enkele keer treft men een zenuw aan die min of meer is ingeklemd door een van de spieren van de onderarm (m. pronator teres), wat een 'drukneuropathie' van onder andere de nervus medianus kan geven.
Opheffen van spierverkortingen en versterken van de spieren die rondom de elleboog aanhechten is een essentieel onderdeel van de therapie.

Pols en hand
De meeste klachten van de pols worden veroorzaakt door een geforceerde dorsaaiflexie ('achteroverbuigen') van de pols tijdens het kogelstoten. Ook bij de krachttraining kan dit optreden, met name bij voorslaan (de halter wordt van de grond af voor de borst getild) en bankdrukken (waarbij de atleet op de rug ligt en de de halter van de borst af drukt). Meestal betreft het blessures van het kraakbeen van het polsgewricht, maar een (stress)fractuur dient uitgesloten te worden bij sterke zwelling en een pijnlijke/beperkte dorsaalflexie. Helaas is een stressfractuur lang niet altijd zichtbaar op een röntgenfoto. Er kan dan voor gekozen worden om deze röntgenfoto na veertien dagen nog een keer te herhalen of om een meer geavanceerd onderzoek uit te voeren (bijvoorbeeld Technetiumscan en CT-scan).

De vingergewrichten worden bij kogelstoten zwaar belast. Met name als de kogel te veel 'over de vingers' uitgestoten wordt, worden de basisgewrichten van de wijs- en middelvinger geforceerd achterovergebogen (dorsaalflexie). Hierdoor kunnen langdurige gewrichtsklachten ontstaan (pijn, zwelling, functiebeperking) en kan uiteindelijk slijtage (artrose) optreden. Een enkele keer veroorzaakt het voorslaan een luxatie van een van de botjes van de handwortel (os lunatum), hetgeen leidt tot een pijnlijke dorsaalflexiebeperking van de hand. Deze is door manipulatie te verhelpen.

Wervelkolom
Werpers klagen nogal eens over lage rugpijn die ontstaat tijdens de werp- of krachttraining. Meestal worden deze lage rugklachten veroorzaakt door overbelasting van de spieren. Het kan echter ook ernstiger zijn, waarbij er uitstralende pijn in de lies, de bil en de achterzijde van het bovenbeen kan optreden. Meestal is er dan sprake van een overbelasting van de tussenwervelschijf (discus) met de facetgewrichten. Extreme rotatie-overbelasting (karakteristiek voor vele werpbewegingen) kan leiden tot een instabiliteit van de lage rug. Men moet zich realiseren dat er bij ingedraaide stand (torsie) maar weinig kracht nodig is om een discus te beschadigen. Torsieoverbelasting beschadigt zowel de facetgewrichten als de discus. Meestal gebeurt dit bij de onderste wervels (L4 en L5). Vaak blijft ook na genezing de discus verminderd belastbaar. Als de discus echt gaat uitpuilen, kan deze eventueel op de zenuw drukken en aanleiding geven tot herniaklachten.
Compressie-overbelasting komt bij werpers ook voor (krachttraining). Herhaalde compressie-overbelasting leidt dan tot discusdegeneratie met subluxatie van de facetgewrichten. Spondylolysis, zoals al beschreven bij de letsels bij springen en sprinten wordt frequent bij speerwerpers gezien. Dit komt met name door de daarbij optredende snelle beweging van hyperextensie naar flexie van lumbale wervelkolom. Meestal betreft het een lysis van de wervel LS. Het aantal trainingsjaren en de trainingsintensiteit spelen ook een belangrijke rol. De afwijking behoeft niet altijd aanleiding te zijn tot klachten. Wel kunnen klachten veroorzaakt worden door een degeneratieve discus een niveau hoger! Staken van de sportieve activiteiten is meestal niet noodzakelijk, mits een goed stabiliserend spierkorset van de romp aanwezig is en onderhouden wordt.

Knie
Knieklachten bij werpers ontstaan meestal door rotatie-overbelasting of door overbelasting van het strekapparaat. Zo kunnen overbelastingsblessures ontstaan aan de gewrichtsbanden (ligamenten), meestal aan de mediale zijde van de rechterknie (bij rechtswerpers) door de typische indraaibeweging bij de worpinzet. Daarnaast moet men echter bedacht zijn op meniscusbeschadigingen. Klachten aan de voorzijde van en in de knie worden meestal veroorzaakt door chrondropathie- en/of tendopathie-klachten ter plaatse van de apex patellae. Hierbij kan de uitvoering van de krachttraining (diepe kniebuigingen) meespelen.

Onderbeen
De meeste klachten betreffen het bovenste spronggewricht van de enkel. De belangrijkste oorzaken zijn een te zware krachttraining zonder dat gebruikgemaakt wordt van gewichtheffersschoeisel en de sprongkrachttraining, waarbij het hoge lichaamsgewicht opgevangen moet worden.

Preventieve maatregelen
Ook bij de werptraining begint een goede preventie bij adequate periodisering van de training. Het is opvallend dat vooral gewrichtsklachten ontstaan op momenten dat de trainingsintensiteit wordt verhoogd. Rekkingsoefeningen en de opbouw van een goed spierkorset spelen hierbij een belangrijke rol. Voor speerwerpen zijn spierversterkende oefeningen voor de schoudermusculatuur zeer belangrijk om tijdens de werpbeweging het schoudergewricht te stabiliseren en de techniek te (kunnen) optimaliseren.

Bij het sportmedisch onderzoek ligt het accent op het onderzoek van het houdings- en bewegingsapparaat. waarbij bewegingsbeperkingen in gewrichten opgespoord en zo mogelijk verholpen worden. Röntgenfoto's van de wervelkolom, staand, in flexie en extensie, zijn noodzakelijk bij het begin van een intensieve speerwerptraining.

Bij de revalidatie tijdens en na een blessure dient de opbouw geleidelijk te zijn, wat met name door werpers nogal eens vergeten wordt. Het getroffen lichaamsdeel is echter de specifieke adaptatie aan de werpbelasting kwijt en bovendien is de werpcoördinatie nog verminderd. Bij kogel en discus kan men met lichter materiaal de trainingen hervatten. Bij het speerwerpen daarentegen kan men beter pas in een latere fase de speer ter hand nemen. Door het relatief geringe gewicht van de speer heeft men namelijk eerder de kans hoge snelheden te bereiken en technisch foutief te gaan afwerpen. Het is met name deze hoge snelheid van bewegen die tot een hernieuwd letsel aanleiding kan geven. Het beste is om te beginnen met tweehandige worpen met lichte medicinballen en deze geleidelijk te verzwaren. Door tweearmig te werpen wordt de rotatie beperkt en door het gewicht van de medicinballen wordt de snelheid laag gehouden.

Krachttraining is een specifieke trainingsvorm die alleen geschikt is voor atleten die (nagenoeg) zijn uitgegroeid. Bij de krachttraining kan gebruikgemaakt worden van polsbanden, een lenderiem en speciale gewichtheffersschoenen. Het geleng van deze gewichtheffersschoen (verbinding tussen hak en zool) is namelijk door een zogenaamde metalen cambreur verstevigd. Dit verhindert een overbelasting van de mediale voetboog en werkt blessurepreventief.

Terug naar onderwerpen


Heeft u vragen of opmerkingen over deze site? Mail ons: info@sportzorg.nl
SitemapStuur deze pagina naar een vriend   Print deze pagina
 
header_left Zoeker header_right

Helaas, u heeft de nieuwste flashplayer nodig om deze website te kunnen bezoeken. U kunt de player hier downloaden.


header_left Vragenlijst header_right

Ticker check
header_left Nieuwsbrief header_right

Ontvang onze gratis nieuwsbrief
Aanmelden voor de Sportzorg nieuwsbrief