Algemeen
Badminton is een sport waarbij vrijwel alle spiergroepen van het lichaam continu actief zijn. Het is een snelle sport, waarbij met name de beenspieren en de spieren van de 'slagarm' zwaar belast worden. Door de snelheid waarmee het spel gespeeld wordt, worden ook de gewrichten vaak op de proef gesteld. Een goede badmintonspeler moet snel en lenig zijn en bovendien over een meer dan middelmatig uithoudingsvermogen beschikken, met daarbij de benodigde kracht en reactievermogen.
Terug naar onderwerpen
Spel en spelregels
Badminton wordt gespeeld met een speciaal racket en een shuttle, op een speelveld met een net als scheiding tussen twee speelhelften.
Badminton kent vijf onderdelen: het heren- en damesenkelspel, het heren- en damesdubbelspel en het gemengd dubbelspel. Dit houdt in dat het spel met twee of met vier personen gespeeld kan worden.
Het doel van het spel is de shuttle zodanig over het net te spelen dat de tegenstander de shuttle niet meer over het net kan retourneren.
Aan het begin van een wedstrijd vindt de 'toss' plaats. Er wordt geloot wie mag beginnen met serveren (= opslaan) of wie de shuttle mag/wil ontvangen. Daarnaast kan men kiezen aan welke kant van het net men wil beginnen. De verliezer van de toss mag kiezen uit de overgebleven mogelijkheden. Dus indien bijvoorbeeld de winnaar van de toss ervoor kiest om eerst te serveren, dan is de verliezer van de toss de eerste ontvanger en kiest hij de kant van het veld waarop hij de shuttle de eerste keer wil ontvangen. Men begint met de 'service' (= opslag). De shuttle wordt zolang over het net heen en weer geslagen totdat een van de spelers de shuttle niet meer over het net terugslaat ofwel de shuttle tegen het plafond of buiten het speelveld slaat.
Indien de serverende partij een fout maakt, scoort de ontvangende partij een punt en gaat de service ook over naar de ontvangende partij. Een verandering in de spelregels is dus dat iedere keer als één van de partijen een fout maakt of de shuttle bij de een partij op de grond komt, de andere partij een punt heeft (dus net als bij tennis, en niet zoals voorheen, dat je eerst de servicebeurt moet zien te "bemachtigen"). Ieder team blijft dus aan service als ze geen fouten maken.
In het enkelspel worden de binnenste lijnen, in het dubbelspel de buitenste lijnen gebruikt. De serveervakken van het enkelspel verschillen van die van het dubbelspel. De service dient altijd geslagen te worden binnen de lijnen van het serveervlak van de tegenpartij dat diagonaal ligt ten opzichte van het eigen serveervlak. In het enkelspel begint men bij elke evenstand van de serverende partij in het rechter en bij elke onevenstand in het linker serveervlak. Men moet hierbij uitgaan van het aantal punten van de serveerder. In het dubbelspel start men altijd in het rechter serveervlak en bij elk gescoord punt draait men dan door naar links en vervolgens weer naar rechts enzovoort. Wordt de service in het dubbelspel verloren, dan heeft de partner van de serverende partij nog een tweede service in het andere serveervlak dan de laatst geslagen eerste service. Indien beide services in het dubbelspel verloren zijn, gaat de service over naar de tegenpartij. Na de service mag het hele veld benut worden.
Een badmintonwedstrijd bestaat uit twee gewonnen games van elk 21 punten (alleen het damesenkelspel gaat tot elf punten). In een partij over één game moeten de spelers van speelhelft wisselen zodra één van de partijen 11 punten heeft gescoord. Wanneer het na twee games gelijk staat, moet er een derde game gespeeld worden. Tijdens de derde game wisselen de spelers zodra één van de partijen 11 punten heeft gescoord. De winnaar van een game begint de volgende game met de service. Vanaf de stand 20-20 wint de partij die het eerst twee punten voorsprong bepaalt de game. Bij de stand 29-29 wint de partij die het 30e punt scoort de game.
In het damesenkelspel kan men bij een stand van 10-10 kiezen uit de volgende mogelijkheden: doorspelen tot 11 punten, d.w.z. niet verlengen, of de game verlengen tot 13 punten. Je mag maar één keer bij een gelijke stand besluiten of je voor een verlenging kiest. Tussen de eerste en tweede set wordt een pauze van 90 seconden toegestaan, evenals coaching. Tussen de tweede en derde set mag men 5 minuten pauzeren en mag er ook gecoachd worden.
Terug naar onderwerpen
Schoeisel
Vroeger bestonden er geen specifieke badmintonschoenen. Tegenwoordig is de badmintonschoen een zaalsportschoen waaraan specifieke eisen worden gesteld. De leest van de schoen kan recht, half of geheel gebogen zijn, zodat voor iedere voet een 'aangepaste' schoen gevonden kan worden. Bij een goede schoen is de schokdemping over de hele zool verspreid. Dit realiseert men door de buiten-, tussen- en binnenzool van specifiek materiaal te vervaardigen.
Een goede badmintonschoen moet voldoende stabiliteit bieden, met name rond de hielkap, om zodoende achillespeesblessures te voorkomen; maar ook aan de bovenzijde moet er voldoende stabiliteit gecreëerd kunnen worden. De zool moet antislip-capaciteiten en een soepel 'draaipunt' hebben onder de bal van de voet (i.v.m. de mogelijkheid om snel te wenden) en goed flexibel zijn ter hoogte van de overgang van middenvoet/tenen. De schoen moet goed vocht kunnen opnemen, moet kunnen ventileren en mag niet te zwaar zijn.
Terug naar onderwerpen
De basisslagen
Lobservice
Het doel van de lobservice (= aangeefslag) is de shuttle hoog en diep in het achterveld van de tegenstander te slaan, het liefst in een hoek van het serveervlak. Voor een rechtshandige speler geldt dat bij het uitvoeren van de lobservice de linkervoet voor de rechter staat.
Met de rechterarm wordt er van achter het lichaam aangezwaaid met gestrekte arm, langs het rechter been naar voren.
De shuttle wordt ongeveer op kniehoogte, zeker niet boven de heup, geraakt en de uitzwaai van het racket is vervolgens 'diagonaal' naar boven.
Korte service
Het doel van de korte service (fig. 9) is de shuttle laag over het net in het serviceontvangstvak van de tegenstander te slaan, het liefst in een hoek. De voetenstand is dezelfde als bij de lobservice, maar de slagarm is gebogen en de shuttle wordt nu licht geraakt; het lijkt alsof de shuttle over het net 'geduwd'/gepusht wordt.
Clear
Het doel van de clear is de shuttle met een bovenhandse slag hoog en diep in het achterveld te spelen. Voor een rechtshandige speler geldt weer dat de rechtervoet achter de linker staat en dat de slagarm van gebogen achter de rug tot gestrekt boven de rechterschouder, hard doorgezwaaid en daarna kruiselings naar beneden uitgezwaaid wordt.
Dropshot
(forehand) Het doel van de dropshot is de shuttle bovenhands zacht en zo kort mogelijk over het net te spelen. De voeten hebben een zelfde uitgangspositie als bij de clear, maar de doorzwaai is nu rustiger (bij het raakpunt van de shuttle even afremmen).
Dropshot (backhand)
Het doel van de backhand dropshot is de shuttle zacht en zo kort mogelijk over het net te spelen vanuit de 'dropshot-positie'. De rechtervoet staat voor en de linker achter. De rug is grotendeels naar het net gekeerd en de slagarm wordt van gebogen voor het lichaam met de elleboog omhoog tot gestrekt boven de rechterschouder doorgezwaaid.
De shuttle wordt boven de rechterschouder geraakt.
Dab (afmaken aan het net)
Het doel van de dab is de shuttle steil en snel op de grond van de speler aan de andere kant van het net te spelen.
De voetenstand is rechtsvoor en linksachter voor een rechtshandige speler. De slagarm wordt van voor de rechterschouder met een korte polsbeweging naar beneden bewogen. Het racket kan/mag een beetje in de 'matten kloppergreep' gehouden worden. De shuttle wordt zo hoog mogelijk boven de netrand geraakt.
Lob (forehand)
Het doel van de lob is de shuttle onderhands hoog en diep in het achterveld spelen. De voetenstand is weer rechts voor en links achter voor een rechtshandige speler en het racket wordt van achter laag naar voren hoog uitgezwaaid. De shuttle wordt zo hoog en zo dicht mogelijk bij de bovenkant van het net geraakt.
Lob (backhand)
Het doel van de lob (backhand) is hetzelfde als bij de lob met de forehand.
De voetenstand is nu weer rechts voor en links achter. Het racket wordt in de backhandgrip gehouden en de slag wordt wederom naar voren hoog uitgezwaaid.
Netdrops (kort spelen aan het net)
Het doel van het kort spelen aan het net is de shuttle zo dicht mogelijk achter het net laten vallen. De voeten staan weer rechts voor en links achter voor een rechtshandige speler. De shuttle wordt zo hoog mogelijk bij de netrand geraakt met uitgestrekte arm. Op de backhandzijde geldt hetzelfde, zij het dat het racket in de backhandgrip wordt vastgehouden.
Smash
Het doel van de smash is de shuttle zo hard mogelijk bij de speler aan de andere kant van het net op de grond te slaan. De voetenstand is links voor en rechts achter en de slagarm wordt van gebogen achter de rug tot gestrekt boven de rechterschouder hard en diagonaal doorgezwaaid naar beneden. De shuttle wordt v r de rechterschouder geraakt.
Smashreturn
Het doel van de smashreturn is de smash te retourneren, meestal kort en strak over het net. Bij een hoog geslagen smashreturn wordt de shuttle diep achter in het speelveld terug geslagen. De voeten staan nu naast elkaar, de ene voet iets naast de ander. Het racket wordt opzij van het lichaam aangezwaaid en beweegt in de richting van de shuttle.
Het raakpunt is zoveel mogelijk schuin voor het lichaam, ter hoogte van de heup.
Drive
Het doel is de shuttle strak en horizontaal over het net naar de tegenstander te spelen. Dit kan zowel vanuit de forehand- als vanuit de backhand positie en de shuttle wordt ongeveer ter hoogte van de heup geslagen.
Terug naar onderwerpen
Training en trainingsprincipes
Training is een cyclisch gebeuren met als doel het verbeteren van techniek, tactiek en uithoudingsvermogen. Met cyclisch wordt bedoeld, dat alle trainingsvormen regelmatig moeten terugkeren binnen een kort tijdsbestek, minimaal twee tot drie keer per week.
Naast de specifieke badmintontraining dient er aandacht besteed te worden aan de motorische grondeigenschappen en de training van zowel het aërobe als het anaërobe uithoudingsvermogen. Dit kan men afzonderlijk doen, maar men kan het bovengenoemde ook in de specifieke badmintontraining in de sporthal inpassen. Bijvoorbeeld door interval-tempotraining te doen in de vorm van slagentraining met een intensiteit van 70-85% van de maximale hartslagfrequentie gedurende twee tot drie minuten. Dit moet minimaal zes tot tien keer herhaald worden. Tussen de actieve perioden moet men ook steeds een rustperiode houden van ook twee tot drie minuten (vuistregel: werktijd = actieve rusttijd). Dit vergt van de trainer wel enig inzicht in de inspanningsfysiologische principes bij het opstellen van het trainingsprogramma voor zowel de training in als buiten de sporthal. Met continue hartfrequentieregistratie door middel van de 'Sporttester' kan men het inspanningsniveau bewaken en evalueren Gezien het drukke competitieseizoen en het specifieke toernooienseizoen is periodiseren belangrijk.
Men moet weten op welk moment in het seizoen topprestaties geleverd moeten worden. Het 'pieken' impliceert dat men niet op elk moment in het seizoen in topvorm kan zijn. Er zijn momenten dat men alle aandacht besteedt aan het basisuithoudingsvermogen, de techniek en, naarmate het 'piekmoment' nadert, aan het wedstrijdritme.
Vroeger werd er verhoudingsgewijs veel aandacht aan het perfectioneren van de techniek besteed. Tegenwoordig wordt daarnaast veel aandacht besteed aan het uitvoeren van spelpatronen, het ontwikkelen van een grotere explosiviteit en het verkrijgen van een grotere slagkracht.
Gezien de intensiteit en de explosiviteit van het badmintonspel zijn een gedegen warming-up en cooling-down een must, evenals het verrichten van rekkingsoefeningen, ook mede in het kader van blessurepreventie.
Terug naar onderwerpen
Blessures
Badminton staat bekend als een relatief veilige sport. Dit komt onder andere door het feit dat het geen contactsport is, maar ook doordat er niet meer blessures voorkomen dan bij vergelijkbare (zaal)sporten zoals binnen- en buitentennis en squash
Sportblessures ontstaan als het evenwicht tussen belasting en belastbaarheid is verstoord. Dit kan onder andere veroorzaakt worden door een te hoge trainingsbelasting per tijdseenheid, een verkeerde slag- en looptechniek, door het gebruik van inferieur materiaal (bijv. verkeerde schoenen en/of een verkeerd racket) en door inadequaat eten en drinken (voor, tijdens en na de inspanning). Blessures door contact met een medespeler komen bij badminton niet vaak voor.
Letsels aan het hoofd ontstaan meestal doordat een shuttle in het oog wordt geslagen. Dit letsel is meestal onschuldig, hoewel men bij de minste twijfel specialistische hulp moet inschakelen.
Schouderletsels zijn meestal overbelastingsletsels ter hoogte van de rotatorcuff ten gevolge van een verkeerde techniek van slaan en/of te vaak smashen zonder een adequaat uitgevoerde warming-up. Aan te raden is dan ook om tijdens het inspelen op het speelveld, de eerste tien minuten niet te smashen en niet met maximale kracht tegen de shuttle te slaan.
Aan de elleboog komt overbelasting van de polsstrekkers het meest voor ('tenniselleboog') omdat bij badminton de slagbeweging wordt uitgevoerd vanuit de pols. Bovengenoemde letsels hebben bij badminton een zeer laag incidentiecijfer.
Pols-, arm- en handblessures komen weinig voor en blijven beperkt tot schaafwonden en kneuzingen ten gevolge van een val.
Rugblessures komen bij badminton ook niet frequent voor. Acute rugblessures kunnen ontstaan na een val, na hyperflexie of hyperextensie van de wervelkolom of tijdens een onverwachte draaiing, terwijl chronische rugblessures meestal het gevolg zijn van tussenwervelschijfproblematiek. Rugblessures kunnen ook ter hoogte van het sacro-iliacale gewricht gelokaliseerd zijn.
Knie- en liesblessures zijn relatief zeldzaam hoewel klachten aan het onderbeen vaker voorkomen (achillespeesklachten, 'zweepslag' en enkeldistorsies en soms shinsplint-klachten bij het spelen op een zeer stroeve vloer).
Blessures aan de voet beperken zich meestal tot het hebben van blaren, ingegroeide teennagels en een overbelasting van de fascia plantaris onder de voet.
De enkeldistorsie is de meest voorkomende blessure bij badminton. Deze blessure ontstaat bij het nemen van netshots, bij achteruitlopen en bij de landing na een sprongslag. Meestal is het ligamentum talofibulare en/of het ligamentum calcaneofibulare aangedaan.
In de acute fase zal er gekoeld moeten worden, zal er een drukverband aangelegd moeten worden en zal het been hoog moeten worden gelegd. Nadat de zwelling nagenoeg verdwenen is, kan de aangedane enkel getapet worden. Vanaf dat moment kan men de enkel weer (functioneel) gaan belasten.
De eerste oefeningen die men moet verrichten nadat de enkel is ingetapet, zijn stabiliteitsoefeningen en oefeningen met als doel het spierstelsel rond de enkel weer te versterken. Daarnaast zal men ook de propriocepsis weer moeten 'trainen' en deze propriocepsis zal hersteld moeten zijn wil men weer volledig op het badmintonveld alle oefenstof kunnen afwerken. De eerste oefeningen op het badmintonveld moeten oefeningen zijn waarbij men alleen maar voor- en achterwaarts hoeft te lopen en in een zelf te bepalen tempo (bijv. alleen maar drop- en netshots spelen in een van tevoren afgesproken volgorde). Naast de (badmintonspecifieke) looptraining wordt dan ook het gevoel voor racket en shuttle wederom geprikkeld. Indien de pijn (nagenoeg) verdwenen is, er na de inspanning geen zwelling meer optreedt en wanneer men zich weer 'zeker' voelt bij het lopen, kan de intensiteit van de sportspecifieke training worden uitgebreid.
Terug naar onderwerpen