Zoeken
header_left header_right

header_left Sportzorg adressen header_right

   Home > Sporttakken > Cricket

Klik op de afbeelding om het bericht vergroot weer te geven.

Bron: De Telegraaf, 30 juni 2006

Gallerij: Cricket

Voor informatie kunt u hieronder op een aantal onderwerpen klikken. Deze informatie is geschreven door (medisch) deskundigen.

Inleiding 
Het spel 
Bewegings- en belastingsanalyse 
Blessures

Inleiding

Cricket is in het midden van de vorige eeuw naar ons land overgewaaid vanuit Engeland, en is nu hier verenigd in de Koninklijke Nederlandse Cricket Bond (KNCB). Het is een sport, die wijd vertakt is over de gehele wereld en als nationale sport geldt in Engeland en andere Gemenebestlanden als Australië, India, Pakistan, West-Indië en Nieuw Zeeland. In de grote cricketlanden wordt de sport professioneel bedreven.

Terug naar onderwerpen

Het spel

Cricket wordt gespeeld door twee teams van elk 11 spelers op een rond/ovaal veld ter grootte van bijna twee voetbalvelden. In het midden van het veld ligt een strook van ruim 20 meter lang en circa 2 meter breed, de "pitch". Deze is vervaardigd van kunstgras of gravel en bedekt door een mat. Aan beide uiteinden van de pitch staan twee hekwerkjes, de "wickets". Deze bestaan uit drie verticaal geplaatste paaltjes, de "stumps", met daarop horizontaal twee dwarslatjes, de "bails". Voor de wickets is op iets meer dan een meter een streep getrokken, de "crease-lijn". De uitlijn, meestal afgebakend met vlaggetjes of houten balken wordt "boundary" genoemd.

De aanvoerders bepalen na de toss welke partij het eerst als slagpartij (het "batten") dan wel het eerst als veldpartij (het "fielden") het veld ingaat. De rol van aanvoerder is bij cricket zeer belangrijk. Hij bepaalt de volgorde van de 11 slagmensen en bij het fielden bepaalt hij wie waar staat in het veld en welke speler als werper ("bowler") optreedt. Zijn tactisch inzicht beïnvloedt voor een groot gedeelte het wedstrijdverloop.
De veldpartij bestaat uit een bowler, een "wicketkeeper" (de achtervanger, die zich achter het wicket bevindt) en negen fielders, die zich zo strategisch mogelijk opstellen.
De bowler brengt de bal in het spel. Een cricketbal bestaat uit een kern van touwen kurk, omwikkeld door een keiharde rode lederen buitenkant en heeft rondom een gestikte naad. De grootte komt overeen met die van een hockeybal. Elke partij heeft een aantal gespecialiseerde bowlers (zie bewegings- en belastingsanalyse).
Van de slagpartij betreden de eerste 2 "batsmen" het veld. Zij dragen allerlei beschermende materialen en in hun handen hebben zij een slaghout (het "bat"), bestaande uit een handle en een fors, aan de voorkant plat afgewerkt stuk wilgenhout.
Batsman nr. 1 begeeft zich naar het wicket waar naartoe gebowled zal worden (het "levende" wicket) en batsman nr. 2 naar het wicket waar vanaf gebowled zal worden (het "dode" wicket). De overige negen spelers van de slagpartij zitten langs de kant hun slagbeurt af te wachten.
De batsman aan het levende wicket (hij neemt positie op de crease-lijn, vóór het wicket) heeft een tweeledige taak. Ten eerste moet hij voorkomen dat de gebowlde bal het wicket achter hem raakt (hij zal de goed gemikte bal dus stoppen, tegenhouden) en ten tweede zal hij moeten proberen punten ("runs") te scoren (hij zal de slecht gemikte bal proberen weg te slaan). Runs maken doet de batsman door de bal het veld in te slaan. Slaat hij de bal ver genoeg weg, dan zullen hij en zijn partner (batsman nr. 2) besluiten te gaan (hard)lopen ("runnen"). Zij doen dit tegelijkertijd, in tegenovergestelde richting, nr. 1 rent richting "dode wicket" en nr. 2 rent richting "levende wicket". Hebben zij de crease-lijn aan de overkant gepasseerd, vóór één van de fielders kans heeft gezien met de bal één van de twee wickets te schenden, dan hebben zij één run. Batsman nr. 2 staat dan aan het levende wicket en zal dus de volgende bal van de bowler ontvangen. Batsman nr. 1 neemt positie naast het dode wicket en wordt dus dan de passieve batsman, wiens taak op dat moment uitsluitend het (mee)runnen is. Slaat batsman nr. 1 de bal ver genoeg weg, zodat beide batsmen naar het andere wicket kunnen runnen, daar achter de crease-lijn aan kunnen tikken en dan weer terug kunnen naar het wicket waar zij vandaan kwamen, dan heeft de batsman twee runs vergaard. Batsman no. 1 blijft dan de ontvanger van de volgende bal.
Zo kunnen er ook drie runs geslagen/gelopen worden. De batsmen zullen elkaar dan drie keer passeren én op tijd de crease-lijn moeten passeren.
Slaat een batsman de bal met één of meer keer stuiten het veld uit, dan hoeft er niet gerund te worden en krijgt hij automatisch 4 runs. Slaat hij hem zonder stuiten het veld uit, dan krijgt hij automatisch 6 runs.

De batsman gaat "uit", omdat de bal het wicket heeft geraakt. Waar de slagpartij probeert niet "uit" te gaan en runs te scoren, is het belang van de veldpartij natuurlijk runs te voorkomen en batsmen "uit" te krijgen (het "wickets nemen"). Een batsman kan op 5 verschillende manieren uit gaan.
1. Hij kan "gebowled" gaan (de bal van de bowler raakt het wicket achter de batsman);
2. Hij kan gevangen gaan (hij slaat de bal door de lucht, die gevangen wordt door één van de fielders);
3. Hij kan "run-out" gaan (hij probeert een run te lopen, maar het wicket waar hij naar toe rent wordt door één van de fielders met de bal geschonden alvorens hij de crease-lijn passeert);
4. Hij kan "gestumped" gaan door de wicketkeeper (hij mist de gebowlde bal en de achter het wicket zittende wicketkeeper schendt met de bal in zijn handen het wicket, terwijl de batsman buiten de crease - het vak tussen crease-lijn en wicket vertoeft);
5. Hij kan "LSW." gaan (Leg Sefore Wicket, waarbij de bal uitsluitend het been van de batsman raakt en wel op een dergelijke plek, dat naar oordeel van de scheidsrechter de bal het wicket geraakt zou hebben indien het been van de batsman niet in de weg had gestaan).
Een batsman die "uit" is verlaat het veld en wordt vervangen door de eerstvolgende.

De slagpartij bat net zo lang tot alle batsmen uit zijn, waarbij opgemerkt dat de laatst overgebleven batsman altijd "not out" het veld verlaat, aangezien men voor het vergaren van runs altijd 2 batsmen nodig heeft. De lengte van een innings wordt dus bepaald door hoe snel de battende partij "uit" gegooid wordt, tenzij de fieldende partij het reglementair vastgestelde maximum aantal ballen heeft geworpen. In Nederland is dat aantal vastgesteld op 360, onderverdeeld in 60 series van elk 6 ballen. Zo'n serie heet een "over", dat wil zeggen een bowler gooit 6 ballen achter elkaar. Daarna wisselen de fielders van plaats en wordt er door een andere bowler van de andere kant, richting andere wicket, gebowled. Heeft de slagpartij 360 ballen (60 overs) gebat, dan betekent dit automatisch het einde van de innings van de slagpartij, ook al heeft dit team niet al zijn batsmen opgebruikt. De individuele scores van de batsmen van de slagpartij worden bij elkaar opgeteld en dit bepaalt het totaal aantal gescoorde runs door de slagpartij. Daarna wisselen de partijen.
Een wedstrijd bestaat uit 1 of 2 innings per team en wordt gewonnen door het team dat de meeste runs heeft gescoord. In Nederland wordt uitsluitend ééndaags cricket gespeeld, hetgeen een fors aantal uren in beslag kan nemen (in de regel 5 à 6).
Een wedstrijd kent drie pauzes, voor de lunch, bij het wisselen van de innings en voor de thee.

Terug naar onderwerpen

Bewegings- en belastingsanalyse

De belasting voor een cricketspeler hangt nauw samen met de positie, die hij of zij inneemt.
Om die reden zullen de diverse posities apart worden besproken.

Bowler
De bowler moet de bal met gestrekte arm vanaf het ene wicket (waar hij langs snelt) in de richting van het andere wicket gooien. Voordat hij de bal loslaat zal hij een aanloop nemen. De lengte van de aanloop wordt grotendeels bepaald door wat voor een type bowler hij is. Globaal zijn er drie categorieën bowlers, "fastbowlers", "mediumpace-bowlers" en "slowbowlers". De fastbowlers moeten het voornamelijk hebben van de snelheid waarmee ze de bal werpen en daarvoor een aanloop van soms wel 30 meter gebruiken. Mediumpacebowlers werpen met een middelmatige snelheid (eventueel voorzien van een "swurf" en/of effect) en nemen een kortere aanloop. De slowbowlers werpen praktisch zonder aanloop en gooien langzame maar zeer verraderlijke ballen met veel effect. Het effect wordt bereikt door de bal te laten stuiten op de pitch, zodat er na de stuit een richtingsverandering optreedt. Hoe dichter de bal bij het wicket stuit, des te moeilijker is deze te bespelen.
De bal is voor de bowler het aanvalswapen, waarmee hij de batsman op uiteenlopende wijze kan intimideren. Behalve de bowler zelf kunnen ook weersomstandigheden het bowlen beïnvloeden. De buitenkant van leer en de stiksels van de bal reageren op vocht en andere atmosferische omstandigheden. Het is tactisch daarom van groot belang om de bowler te kiezen die gezien de toestand van de bal en het moment in het spel het meeste uit de bal kan halen. Een langzame bowler zal de naad goed kunnen gebruiken voor het bowlen met effect. Door een helft van de bal mooi schoon, goed glanzend te houden zal hij de bal door de luchtweerstand tijdens het bowlen zijn speciale karakter geven.
Van belang in de voorbereiding van de aanloop van de snelle bowler is de kadans waarin hij moet komen om zijn actie en de bal snelheid te geven zonder zichzelf lichamelijk geweld aan te doen. De stand van vooral het voorste been en de voorste voet waarop een snelle bowler met een flinke klap terecht komt zijn daarbij essentieel.

Batsman
Afhankelijk van het soort bowler waarop een batsman staat te spelen zal hij zich wapenen. Van belang bij het verwerken van een bal is het snel en goed kunnen beoordelen en het behandelen van de bal, meestal aangeduid als "het hebben van een snel oog". Het juist en bijtijds coördineren van alle motorische eenheden, die in werking gezet moeten worden bij een actie is een voorwaarde om goed te batten.
Een batsman zal kijken hoe de bowler de bal vastheeft, hoe zijn actie is, hoe hij de bal loslaat, wat de bal in de vlucht doet en waar hij neerkomt. Hij zal moeten inschatten hoe de bal wegspringt en zich razendsnel kunnen aanpassen aan veranderingen van richting, hoogte en snelheid.
Bij het slaan ontstaat een lange hefboom die gevormd wordt door het bat waarbij de bal een plotselinge weerstand oproept. Bij een slechte techniek kan hierdoor een grote belasting rond vooral de linker elleboog ontstaan.

Fielder
Indien een fielder moet reageren op een op hem toekomende bal zal de wijze van reageren afhankelijk zijn van het gedrag van de bal. De fielder die "dicht instaat" op geringe afstand van de batsman zal enorm geconcentreerd moeten zijn op het soort bal, die de bowler gaat gooien en afhankelijk daarvan wat de batsman met de bal doet en in welke richting hij slaat. Hoe dichter de fielder bij de batsman staat, des te sneller moet zijn reactie zijn. Een fielder in het verre veld moet tijdens de aanloop van de bowler al mee oplopen om de concentratie en reactiesnelheid te vergroten.
Indien de bal door de lucht gespeeld wordt moet de fielder met 2 handen klaar staan, de bal tussen de handen door blijven volgen, hoofd stil houden tot de bal gevangen is en reflexmatig de handen meegeven. Door een goede coördinatie en motoriek wordt de bal trefzekerder en minder gevoelig gevangen.
Indien de bal over de grond gespeeld wordt dient de fielder de situatie te overzien, zijn richting te bepalen, snel te starten, toe te lopen, op het juiste moment en op de juiste manier te bukken met een goede balans, naar de bal te blijven kijken totdat de bal in de handen zit, op te kijken, de situatie weer te overzien, de richting te bepalen en snel en juist in te gooien.
Van een fielder wordt na een relatief inactieve periode plotseling een enorm explosieve inzet gevraagd, waarbij het steun- en bewegingsapparaat tot een uiterste vorm van arbeid wordt aangezet.

Wicketkeeper
De wicketkeeper is één van de 11 fieldende spelers met echter een zeer specifieke taak. Hij heeft zijn plaats achter de spelende batsman, dichtbij of verderaf afhankelijk van de snelheid en het soort bowlen. Net als bij de batsman is ook in deze positie het "snelle oog" van belang. De wicketkeeper moet zowel met zijn handen als voeten snel reageren, een goede coördinatie bezitten en zich goed kunnen concentreren.
Hierdoor wordt hij mobiel, snel en behendig.

Als de batsman de gebowlde bal niet kan bespelen komt deze doorgaans in de handen van de wicketkeeper. Als de bal wel wordt gespeeld zal deze veranderen van richting en de wicketkeeper moet hierin direct inzicht hebben en binnen een fractie kunnen reageren. De techniek van het vangen is voor deze positie van essentieel belang zowel voor het spel als ter eigen bescherming, daar tijdens de wedstrijden talloze ballen van velerlei aard verwerkt moeten worden.
Door de lange duur is cricket een sport, die enorm veel concentratie van de spelers vereist. Door de hoge moeilijkheidsgraad stelt het hoge technische eisen aan de beoefenaars, terwijl voor het bedrijven van de sport op niveau een goede lichamelijke fitheid onontbeerlijk is.

Terug naar onderwerpen

Blessures

Bij het cricketspel zullen de eventuele blessures ontstaan door het individueel handelen van de spelers zelf, omdat er in het algemeen geen direct lichamelijk contact optreedt.
Foute technieken, onvoldoende training, gebrek aan concentratie of ongeschikt materiaal kunnen zodoende kwetsuren veroorzaken. De fielders en de batsmen kunnen blessures oplopen door verkeerde beoordeling van de bal, waarbij voor de batsmen nog geldt dat door verschillende wijze van bowlen intimidatie kan worden toegepast. De blessures zullen worden besproken aan de hand van de verschillende specialismen in het cricketspel.

Bowler
Veel voorkomende problemen bij zowel snelle als langzame bowlers zijn rugklachten als gevolg van het geven van variatie aan de bal. De totale wervelkolom komt hierdoor onder een zeer grote torsie te staan, terwijl de cervicale en de lumbale wervelkolom daarbij nog in een scoliotische stand komen.
Door de sterk roterende beweging en de kracht die van de schouder gevraagd wordt kunnen ook specifieke schouderproblemen ontstaan als aandoeningen van de rotatorcuff.
Een onjuiste voetplaatsing zal een grote belasting teweeg brengen op de knieën en enkels. Intensief aanzetten bij niet voldoende gevasculariseerde musculatuur kunnen spierletsels in de hamstrings en de M. triceps surae tot gevolg hebben.
Bij de preventie speelt een juiste wijze van kleding een belangrijke rol. Om niet in zijn acties belemmerd te worden zal een bowler tijdens zijn "over" slechts in een shirt of slipover gekleed zijn. Het is sterk aan te raden na het bowlen direct extra kleding aan te trekken om plaatselijke afkoeling te voorkomen. Zodra een bowler weer actief moet worden dient zijn aanvoerder hem enige overs van te voren in te lichten, dat hij mogelijkerwijs weer in actie moet komen. Hierdoor kan de aanstaande bowler zorg dragen voor zijn eigen warming-up en lichamelijke voorbereiding tot het bowlen, waardoor gewrichtsfuncties en circulatie worden aangezet. Extra aandacht moet hierbij gaan naar de schouders en de grote spiergroepen. Langzame bowlers die veel met vingers en polsen werken dienen bij de voorbereiding passieve vingerspreidingen te doen voor het rekken van pezen en kapsels.
Hoewel goed schoeisel voor alle spelers noodzakelijk is geldt dit vooral voor de bowler, waarbij de langzame bowler ander schoeisel zal dragen dan de snelle. De grip op het veld en vooral ook op de mat of de kunststof pitch verdient daarbij aandacht.
De bowler moet wondjes aan zijn bowlinghand voorkomen. Het is niet toegestaan met verband of anderszins te bowlen, omdat daarmee op onrechtmatige wijze variatie aan de bal kan worden gegeven.

Batsman
Blessures bij de batsman worden voornamelijk veroorzaakt door het geraakt worden door de harde bal. Een batsman is echter goed beschermd zodat het aantal blessures beperkt blijft. Zijn uitrusting bestaat uit goede stevige schoenen, "Legguards" tot over de knie, een "thighpad" ter bescherming van de heup en het bovenbeen van het naar de bal toegekeerde been, een "toc" ter bescherming van de geslachtsdelen, handschoenen die aan de buitenzijde gepolsterd zijn en aan de binnenkant soepel zijn om de steel van het bat goed te kunnen omvatten en verder wordt bij hard bowlende spelers en op minder betrouwbare pitches een helm gedragen met eventueel vizier en rasterwerk ter bescherming van kaak en tanden. Bij het niet dragen van een helm is een gebitsbeschermer voor iedere batsman aan te raden. Ook de onderarm kan nog extra beschermd worden. Een laatste mogelijkheid ter bescherming wordt gevormd door een gepolsterd vest om de thorax te vrijwaren van letsels.
Als overbelastingsletsel bij batsmen openbaart zich nogal eens een epicondylitis lateralis (bij rechtshandigen aan de linker elleboog), omdat met de linkerarm de bal wordt gespeeld. Preventie bestaat uit het verbeteren van de techniek en het versterken van de extensoren van elleboog en pols.
Het dragen van een helm is voor de batsman niet verplicht, maar valt wel aan te raden

Fielder
Afhankelijk van de plaats die de fielder inneemt kunnen specifieke blessures ontstaan.
De fielder, die op geringe afstand staat van de spelende batsman, is het meest kwetsbaar en bij deze positie is het dragen van een helm en een toc aan te bevelen. Bij missen of niet juist beoordelen van de bal kunnen ernstige kwetsuren optreden.
Voor alle fielders is het van belang om tussen aanlopen van de bowler of tussen overs door intensief in beweging te blijven met rekoefeningen en grote ruime bewegingen.
Dit is noodzakelijk omdat na een relatief inactieve periode plotseling een enorm explosieve kracht en beweging worden gevraagd. Indien myogene, tendinogene en articulaire structuren daarop onvoldoende voorbereid zijn kunnen de meest uiteenlopende vervelende letsels ontstaan.
Bij het ingooien leiden verkeerde technieken en onvoldoende warming-up tot blessures in de schouderregio als bursitiden, tendinitiden en kleine peesruptuurtjes. Indien ondanks het streven naar een betere techniek en extra warming-up van de schoudermusculatuur de blessure blijft bestaan is fysiotherapie met zijn vele mogelijkheden geïndiceerd.
Het onjuist verwerken van de bal kan flinke hematomen van vingers en handen tot gevolg hebben met eventueel subungeale bloedingen. Belangrijk hierbij zijn een goede eerste hulp met ijspakkingen (koeling) en compressie.

Wat de kleding betreft is het dragen van verschillende lagen over elkaar raadzaam.
Hierdoor is het mogelijk om bij minder actieve spelperioden alle structuren arbeidsgeschikt en prestatiegericht te houden. De sokken moeten goed vochtabsorberend zijn.
Aangezien de voet gedurende lange tijd in de schoen zit opgesloten is bij slecht schoeisel blaarvorming of andere irritatie mogelijk. Het soort schoeisel moet aangepast worden aan de situatie op het veld en de grip daarop.

Wicketkeeper
Ook de wicketkeeper moet zich natuurlijk goed beschermen tegen de bal. Hij draagt speciaal schoeisel met verstevigde neuzen om de voeten te beschermen tegen doorschietende ballen, legguards, een toc en grote handschoenen, die vooral aan de binnenzijde van de armen tot ruim over de polsen reiken. Binnen de handschoenen bevinden zich in de vingertoppen rubberdopjes, die extra bescherming geven. Sommige wicketkeepers tapen de DIP gewrichten van vingers in ter stabilisering van deze gewrichtjes, die aan flinke traumata kunnen bloot komen te staan.
Ondanks deze bescherming blijven de handen en voeten kwetsbaar en komen fracturen in deze regio wel eens voor.

Terug naar onderwerpen


Heeft u vragen of opmerkingen over deze site? Mail ons: info@sportzorg.nl
SitemapStuur deze pagina naar een vriend   Print deze pagina
 
header_left Zoeker header_right

Helaas, u heeft de nieuwste flashplayer nodig om deze website te kunnen bezoeken. U kunt de player hier downloaden.


header_left Vragenlijst header_right

Ticker check
header_left Nieuwsbrief header_right

Ontvang onze gratis nieuwsbrief
Aanmelden voor de Sportzorg nieuwsbrief