Zoeken
header_left header_right

header_left Sportzorg adressen header_right

   Home > Sporttakken > Sportklimmen

Voor informatie kunt u hieronder op een aantal onderwerpen klikken. Deze informatie is geschreven door (medisch) deskundigen.

Inleiding 
Spelregels van het sportklimmen 
Artificiële klimwanden 
Zekeringsketen en veiligheid 
Sportklimtraining 
Voeding 
Sportklimblessures 
Preventie van sportklimblessures

Inleiding

Sportklimmen is het klimmen van rots-, ijs- of kunstmatige (artificiële) wanden, waarbij je ernaar streeft steeds moeilijkere routes te klimmen. Het bereiken van de top is niet alleen waar het om gaat; de weg waarlangs en de manier waarop je dit doet, zijn minstens zo belangrijk. Het gaat daarbij om het verleggen van persoonlijke, maar ook van objectief meetbare grenzen. Je probeert - door gerichte training en het optimaliseren van de omstandigheden - steeds moeilijkere routes met succes te beklimmen. Bij sportklimmen wordt uitgegaan van de spelregels van het vrijklimmen.
Vrijklimmen houdt in dat je op eigen kracht omhooggaat en materiaal, zoals touwen en haken, niet voor de voortbeweging gebruikt, maar uitsluitend voor de beveiliging. Tegenover vrijklimmen staat artificieel klimmen. Bij artificieel klimmen maak je voor de voortbeweging gebruik van kunstmatige hulpmiddelen of je rust eraan uit. Bij artificieel klimmen is het essentieel dat je bovenkomt, bij vrijklimmen is het ook belangrijk op welke manier je dat doet. Artificieel klimmen is binnen het moderne sportklimmen 'not done' bij het neerzetten van een prestatie.
Het maakt natuurlijk niets uit als je bijvoorbeeld bij het al klimmend bestuderen van een route (het uitboulderen) of tijdens de warming-up, artificiële technieken gebruikt. Daarbij staat de prestatie niet centraal. Als je tijdens het klimmen van een route af en toe artificiële technieken moet aanwenden voor je eigen veiligheid, heb je die route volgens de huidige sportklimregels niet gehaald.

Terug naar onderwerpen

Spelregels van het sportklimmen

Vrijklimmen
Vrijklimmen wil zeggen dat je uitsluitend klimt met gebruikmaking van de mogelijkheden die de wand van nature biedt. De mogelijkheden kunnen eventueel door de routebouwer worden bepaald. Zoals hierboven al naar voren kwam, is vrijklimmen het tegenovergestelde van artificieel klimmen. Dat je een route vrijklimt, wil nog niets zeggen over de manier waarop je jezelf beveiligt.
De keuze van de veiligheidsmaatregelen en de verdere spelregels bepalen óf en op welke manier je een route met succes hebt beklommen.

- AF (Alles frei).
Je mag je niet voortbewegen met behulp van touw of tussenzekeringen. Je mag wel uitrusten aan een haak. Als je valt, mag je verdergaan bij de laatste tussenzekering die je gepasseerd bent. Deze eerste vrijklimregel stamt uit de voormalige DDR, waar de regel acceptabel was. In de vaak lange routes zaten maar een paar haken en het was wettelijk verboden klemblokjes (nuts) te leggen om je als voorklimmer te zekeren.
Alleen touw- of bandlussen in zandoren waren toegestaan. Deze regel wordt vrijwel nergens meer toegepast.

- RP (Rotpunkt)/after work.
Dit is een reeds bekende route in één keer vrij voorklimmen. Je mag hierbij dus niet uitrusten aan haken of je eraan optrekken. Na een val moetje helemaal opnieuw beginnen. De poging is mislukt. Je mag je bij deze vorm van klimmen uiteraard wel zekeren met behulp van haken of nuts. De meestvoorkomende vorm van Rotpunkt is 'French red point' (het voorvoegsel wordt tegenwoordig gewoon weggelaten), waarbij vooraf alle setjes reeds in de haken zijn gehangen, zodat je niet zo veel materiaal hoeft mee te nemen (gewicht!) en de zekeringshandelingen in tijd tot een minimum beperkt worden. Je kunt je dan helemaal op het klimmen richten. In lange routes, waarbij je meerdere touwlengten na elkaar klimt, is dit uiteraard niet mogelijk.

- RX (Rotkreuz)/naklimmen.
Vrij naklimmen. De klimmer wordt gezekerd aan een touw van boven. Uitrusten aan/in de zekeringsketen is niet toegestaan. Na een val of na gebruik van de zekeringsketen om aan uit te rusten of verder te klimmen, moet je vanaf het begin opnieuw beginnen.

- On sight.
Een onbekende route in één keer voorklimmen, zonder je er van tevoren - op welke manier dan ook over te informeren. Informatie uit een gidsje mag wel worden verkregen, zolang de route er niet uitgebreid in wordt beschreven. Alleen het inwinnen van informatie over het verloop van de route en de moeilijkheidsgraad is toegestaan. Als je meer informatie inwint, gaat het om een flash-beklimming (zie onder). Tegenwoordig wordt de term 'on sight' indoor ook wel bij naklimmen gebruikt.

- Flash beklimming/flashen.
Dit is een eerste poging in een route waarvan je informatie hebt verkregen, doordat je bijvoorbeeld al iemand de route hebt zien klimmen. Ook mondelinge informatie, bijvoorbeeld over het oplossen van moeilijke passages of over mogelijke rustpunten, valt hieronder. In de rotsen wordt alleen van flash gesproken als je voorklimt.

- Clean klimmen.
Je laat de rotsen in hun natuurlijke staat (clean). Je gebruikt als voorklimmer alleen nuts en bandlussen (slinges) die de naklimmer weer meeneemt. Het gebruik van haken is niet toegestaan. Het gebruik van magnesium is een punt van discussie.
- American.
Dit is een combinatie van 'on sight' en 'clean'. Dit wordt door puristen wel gezien als de optimale manier van vrijklimmen.

- Free solo of soleren.
Dit is vrijklimmen zonder beveiliging.
Bij elke route bekijk je welke spelregels voor jou van toepassing zijn. De keuze hangt af van het klimniveau, de moeilijkheidsgraad van de route, het weer, de conditie en de vorm van de dag, maar ook van je uitgangspunt. Bij een warming-up of cooling-down en bij het uitboulderen of bij andere trainingsvormen zijn spelregels niet belangrijk. Ook als je een keer voor de lol klimt, maakt het niet zoveel uit. Hoe belangrijker de prestatie, des te belangrijker de regels worden. Evenals andere sporten kent sportklimmen prestatiesporters en recreanten. Doelgericht trainen, instelling en de manier waarop de spelregels worden gehanteerd, vormen het verschil.

Terug naar onderwerpen

Artificiële klimwanden

Het moderne sportklimmen wordt steeds vaker beoefend op kunstmatige klimwanden. De beperkingen die sinds eind jaren tachtig, begin jaren negentig gelden in veel rotsgebieden, de afstand tot de rotsen en het omzeilen van weersinvloeden zijn hiervoor belangrijke oorzaken. Maar ook de opkomst van uitdagende, spannende sporten, de toegenomen vrije tijd en de grotere welvaart zijn redenen om steeds meer en steeds mooiere klimcentra te bouwen. En ze hebben het allemaal erg druk.

Waaruit is een kunstmatige klimwand opgebouwd?
- Grepen: Per touwbaan kun je door met grepen van verschillende kleuren te werken, meerdere routes plaatsen. Door ze verschillend in moeilijkheidsgraad te maken, is er op dezelfde plaats een differentiatie mogelijk. Het 'bouwen van routes' is een aparte discipline die veel ervaring vergt.

- Beveiligingspunten: Aan de bovenzijde van de wand zitten punten waardoor (haken of ogen) of waaromheen (een buis; deze mag niet meedraaien) het zekeringstouw loopt. Onder in de wand kunnen ook (zekerings)ogen of haken worden aangebracht om te beveiligen en op regelmatige afstanden van elkaar kunnen in een route haken zijn bevestigd voor de beveiliging van voorklimmers. Voor alle haken en ogen geldt dat de wand op die plaats aan de achterzijde extra verstevigd moet zijn! Dit gebeurt meestal met een metalen strip of door de zekeringspunten in de achterliggende muur te verankeren.

Terug naar onderwerpen

Zekeringsketen en veiligheid

De zekeringsketen bestaat uit verschillende punten. Het belangrijkste uitgangspunt is veiligheid. Een tweede uitgangspunt is de prestatie, waarvoor bijvoorbeeld de keuze valt op lichtgewicht materiaal.
De zekeringsketen moet zo sterk zijn dat elke val die het lichaam kan verdragen door de zekeringsketen opgevangen wordt. Deze minimale sterkte ligt ongeveer bij 8 KN (8000 Newton of 800 kilogram). Er wordt echter uitgegaan van een forse overwaarde. Klimmateriaal dat in de normale lengterichting wordt belast, moet minimaal 22 KN kunnen houden. Uiteindelijk bepaalt echter de zwakste schakel hoe veilig de zekeringsketen, en dus de beklimming, is. We hebben het hierbij over voorklimmen. Bij naklimmen zijn de krachten die op mens en materiaal worden uitgeoefend normaal gesproken veel kleiner. Er zijn enkele belangrijke schakels in de zekeringsketen.

Gordel, touw en verbindingsknoop
Bij sportklimmen wordt doorgaans alleen geklommen met een heupgordel. Niet alle gordels zijn geschikt om een voorklimmersval op te vangen. Raadpleeg hiervoor de bijsluiter als je een gordel aanschaft. Daarin staat ook op welke manier de gordel moet worden gebruikt. Hierin treden grote verschillen op. De meest gebruikte knoop om het touw aan de gordel vast te maken, is de gestoken achtknoop. Dit is een veilige knoop, omdat hij niet los kan gaan en omdat hij eenvoudig te controleren is. Bij voorklimmen is het noodzakelijk dat je het touw rechtstreeks aan je gordel bindt. Bij wedstrijden waarbij moet worden voorgeklommen, is de gestoken acht verplicht.
In voorklimsituaties wordt een touw met een doorsnee van 9,7-11 millimeter gebruikt. Voor naklimmen 9-11. Het 12 millimeter dikke, statische touw wordt vrijwel uitsluitend gebruikt voor speleologie. Klimtouwen hebben diverse lengten. De lengte varieert van 50-70 meter. Dit laat je afhangen van de lengte van de te klimmen routes van het klimgebied waar je naartoegaat.
Voor naklimmen worden globaal twee aanbind methoden gebruikt. De gestoken acht en een gelegde achtknoop die met een vergrendelbare karabiner (musketonhaak) aan de gordel wordt bevestigd. Dit kan het beste alleen door de grote lus aan de voorzijde worden gedaan.
Vaak wordt dit ook gedaan door de karabiner parallel met de grote lus aan de voorzijde te bevestigen, waarin een reeds gelegde achtknoop is gedaan. Met deze aanbindmethode zijn enkele ernstige ongelukken gebeurd. Doordat de snapper in dwarse richting werd belast, brak hij uit de karabiner. Karabiners zijn aanmerkelijk zwakker als ze in de breedte worden belast (7 KN).

Tussenzekeringen (setjes, haken en nuts)
Een setje is opgebouwd uit twee karabiners die verbonden zijn door een band lus of slinge. Tegenwoordig zijn er expressslinges in de handel. Deze zijn niet geknoopt, maar genaaid. Voorklimmers kunnen zich tijdens het klimmen aan een haak of nut beveiligen, door er een setje in te hangen. In de onderste karabiner van het setje wordt het touw gehangen ('ingeklipt').
De zekeraar zorgt ervoor dat een eventuele val wordt opgevangen en dat het touw steeds wordt gevierd of ingehaald, afhankelijk van de situatie. Het touw mag niet te ver uitgegeven worden, maar natuurlijk ook niet te strak staan. Het zekeren van een voorklimmer luistert nogal nauw en vergt veel ervaring.
Bij sportklimmen worden doorgaans ingemetselde (boor)haken gebruikt. Hiervan bestaan diverse maten en kwaliteiten. In oudere routes en in het hooggebergte tref je vaak haken aan die er met een hamer ingeslagen zijn. Deze kunnen meestal minder belasting verdragen.
Haken in kunstmatige wanden kunnen alleen worden gebruikt in voorklimsituaties als ze extra geborgd zijn in de achterwand. In rotsen waarin geen of weinig haken zitten, kun je een nut leggen, waaraan je ook een setje kunt hangen.

De zekering; keuze van materiaal
Er zijn diverse zekeringsapparaten. In de nationale eenheid van instructie wordt het zekeren met de zekeringsacht of met de gri-gri aanbevolen. Zowel het zekeren met de acht als met de gri-gri kan gevaar opleveren. Daarom is het essentieel dat beginners nauwkeurig geleerd wordt hoe te zekeren en dat onbekende klimmers in klimcentra worden gecontroleerd. Aan beide zaken wordt niet altijd voldoende aandacht besteed. Klimmers zijn soms al te snel instructeur en gezelligheid gaat hier en daar wel eens ten koste van de veiligheid. Men wil niet zeurderig overkomen en soms wordt op verkeerde momenten een leuke sfeer gecreëerd. Ook het didactisch inzicht van instructeurs schiet nog wel eens tekort.

Het zekeren
Om een voorklimmersval te breken is het essentieel dat er dynamisch gezekerd wordt. Dit verkleint de piekbelasting die op mens en materiaal wordt uitgeoefend. Een statische zekering is al snel een te grote belasting. Dynamisch zekeren houdt in dat de val niet meteen volledig stopt. Door de keuze van het materiaal kun je dynamischer zekeren. Speciaal voor dit doel ontworpen touw rekt 5-7 procent uit bij een val. Hierdoor is de kracht per tijdseenheid (de vangstoot) kleiner. Ook de keuze van het zekeringsapparaat maakt zekeren meer of minder dynamisch. De zekeringsacht zekert tamelijk dynamisch (het touw glijdt nog een stukje door), maar de halve mastworp in een HMS (halve mastworp schroefkarabiner) blokkeert een stuk sneller.
Je kiest bijvoorbeeld voor de acht in loodrechte of overhellende wanden, zodat de kans dat je jezelf stoot of schaaft (of erger) klein is. In gedeelten waar zich veel uitstekende punten bevinden, kies je voor de HMS. Ook als je de tussenzekeringen niet vertrouwt, kun je kiezen voor dynamischer zekeren. De haken en nuts worden daardoor niet zo zwaar belast. Voor het naklimmen, zoals dat gebeurt in de meeste klimcentra, kan gebruikgemaakt worden van de methode van 'Veilig Sportklimmen'.

Terug naar onderwerpen

Sportklimtraining

Basistraining
Evenals voor andere sporten waarbij fysieke kwaliteiten een belangrijke rol spelen, moet een sportklimmer eerst zorgen voor een goed ontwikkelde basisconditie. Kracht, uithoudingsvermogen, lenigheid en coördinatie moeten in gelijke mate ontwikkeld zijn. Het gymnastiekonderwijs, maar ook actieve participatie in sportclubs op jonge leeftijd, zijn hiervoor essentieel. Wij bevelen dan ook sterk aan om op de basisschool vakleerkrachten te benoemen. Hoewel voor recreatief klimmen heel andere normen gelden, kan iemand met een redelijke basisconditie probleemloos beginnen met klimmen en klimtraining.

Specifieke training
De algemene conditie moet weliswaar niet verwaarloosd worden, maar naarmate het klimniveau hoger wordt, moet relatief steeds meer aandacht worden geschonken aan specifieke training. Specifieke training betekent dat de training is gericht op de te leveren klimprestatie.
Daarbij moet worden gestreefd naar trainingsvormen die klimmend kunnen worden gedaan. Naarmate een neer te zetten prestatie dichterbijkomt, moet de training zich steeds meer richten op die prestatie. Train je voor lange rotsroutes, dan moet je de nadruk leggen op specifiek kort uithoudingsvermogen (continuïteit). Train je voor overhangende routes dan dien je dit ook in je training in te bouwen.

Fysieke training
· Maximale kracht. Dit train je vooral door moeilijke boulders te klimmen en zware routes uit te boulderen.
· Weerstand tegen verzuring ('resistance') in de onderarmen (vinger- en handbuigers). Dit wordt vooral getraind door routes op niveau te klimmen en door te boulderen met intensieve intervallen.
· Kort uithoudingsvermogen in de onderarmen (vinger- en handbuigers).
Het maken van veel middelzware klimmeters of het doen van extensieve intervallen, geeft een specifiek uithoudingsvermogen in de onderarmen, dat aangeduid wordt met 'continuïteit'.
Altijd geldt dat een goede basiskracht voorwaarde is om zware specifieke training te kunnen doen. Klimmers die op topniveau trainen en klimmen gaan hierna periodiseren naar belangrijke evenementen toe. Eerst worden specifieke kracht, weerstand en continuïteit uitgebouwd in intensiteit en volume, waarna het volume wordt afgebouwd en specifiek op de prestatie gericht wordt getraind.

Techniektraining
Klimtechniek is bijzonder complex. Als basis kun je wel zeggen dat je steeds drie steunpunten moet benutten, maar er zijn veel uitzonderingen. Ook het krachtensparend klimmen, het voorkomen of juist benutten van draaimomenten en het spelen met het lichaamszwaartepunt, zijn essentieel. Vaak gaat dit gepaard met een tweesteunpunten-techniek. Een paar tips:
· Breng je lichaamszwaartepunt boven de ene voet, voordat je de andere voet verplaatst. Dit is niet altijd mogelijk.
· Het hangt af van het routeverloop.
· Blijf dicht bij de wand, zodat de krachten evenwijdig met de wand lopen.
· Hierdoor hoef je niet zo hard te knijpen, waardoor je niet zo snel moe wordt (verzuurt).
· Klim zoveel mogelijk met gestrekte armen: 'uithangen'. Door met gebogen armen te klimmen, moet je harder knijpen en verbruik je meer kracht. - Draai in een overhangende situatie het lichaam (vooral de schouder) zodanig in, dat de arm die door gaat pakken al in positie is gebracht: 'indraaien'.
· Voorkom draaimomenten door bijvoorbeeld een been naar buiten of juist binnendoor (voor of achterlangs) weg te steken.
· Pak door naar een volgende handgreep vanuit de beenstrekking. Je vingers hoeven dan niet zo veel kracht te leveren.

Tactische training
Door tactisch goed te klimmen, verbruik je veel minder energie. De kans dat je een route haalt, is daardoor groter.
· Route-inzicht: als je weet hoe het verloop van een route is, waar alle grepen zitten (ook om de hoek) en waar je kunt uitrusten (spreiden in een hoek, haken met de hele hand of met een voet om een hoek of achter een greep), breng je een klimpoging eerder tot een goed eind. Dit kun je bijvoorbeeld oefenen door in een korte, niet al te zware route te kijken in welke greepvolgorde je de route gaat klimmen, waarna controle volgt door partner of trainer.
· Routegeheugen: tijdens een Flash- of Rotpunkt-beklimming heb je meer kans op succes, als je de grepenvolgorde goed onthoudt. Dit kun je trainen door met tweetallen de één een boulder te laten voordoen waarna de ander deze nadoet. Kies voor steeds langere boulders.
Veel klimmers zijn gewend zonder warming-up en cooling-down tijdens hun trainingssessie een aantal routes na elkaar te klimmen, uitsluitend met het oog op fysieke effecten. Dat dit geen optimale manier van training is, is duidelijk.

Terug naar onderwerpen

Voeding

Voor elke sport waarin het lichaamsgewicht een belangrijke rol speelt, is voeding nóg belangrijker dan voor andere sporten. Dit geldt ook voor sportklimmen. Denk maar eens aan het klimmen van een ver overhellende wand. Elke kilo te veel betekent extra ballast tijdens het klimmen. Sportklimmers in de top zijn dan ook lichtgewichten, maar dan wel met veel spierontwikkeling, vooral van het bovenlichaam. Bij de vrouwen zie je in de top ook nogal eens een anorexia-achtig uiterlijk. Natuurlijk is het duidelijk dat zo min mogelijk overtollig vet mee naar boven moet worden genomen, maar waar ligt de grens? In de praktijk is gebleken dat het evenwicht tussen 'wat afvallen' voor een wedstrijd en echte anorexia nervosa wankel is. Bij de jaarlijkse sportkeuring van topsportklimmers in Nederland wordt gericht naar voedingsproblemen gevraagd. Het vetpercentage, lichaamsgewicht en, bij vrouwen, de menstruele cyclus zijn belangrijke parameters.
Voor de voeding van sportklimmers gelden dezelfde regels als voor die van andere sporters. Gevarieerde voeding, met een nadruk op koolhydraten, door middel van volkorenproducten, groente en fruit, niet te veel vet en weinig tot geen alcohol.

Terug naar onderwerpen

Sportklimblessures

Acute sportklimblessures
De ringbandruptuur
In de vingers bevinden zich (per vinger) twee buigpezen. De beide buigpezen lopen aan de volaire (handpalm) zijde dicht tegen het bot aan. Ze worden 'op hun plaats' gehouden door circulair en kruislings verlopende bindweefselstrengen (ringbandjes). Buigen de vingers zich, dan schuiven deze ringbandje tegen elkaar aan en vormen zo een koker om pees en peesschede. Zo wordt voorkomen dat de pees als het ware de kortste weg kiest.
Deze blessure doet zich vaak voor als een klimmer met zijn voeten wegglijdt en zich met één of enkele vingers probeert vast te houden. Soms gebeurt het door een zeer heftige dynamische beweging, of bij vermoeidheid aan het einde van een training. De positie van de vinger, de manier waarop een greep wordt gefixeerd, speelt hier vermoedelijk ook een rol.
Er is een, zelfs op afstand hoorbaar, knapje. Het is onmogelijk in de acute fase door te klimmen. De pijn en de zwelling zijn meestal geconcentreerd aan de volaire zijde van het eerste vingerkootje. Meestal betreft het de middelvinger of ringvinger.
De behandeling is, zoals bij veel acute sportletsels, in eerste instantie: koelen.
De verdere behandeling is conservatief. De vinger wordt gespalkt gedurende drie tot zes weken, waarna voorzichtig en op geleide van de klachten met behulp van 'kneedballetjes' gerevalideerd kan worden. Na drie tot vier maanden kan weer met de klimtraining worden begonnen. Onderzoek wijst uit dat het merendeel van de klimmers weer op het oude niveau terugkomt. In een enkel geval is operatieve reconstructie van het ringbandje noodzakelijk.
Sommigen adviseren na een dergelijk letsel de vingers te tapen. Dat zou mogelijk ook het ontstaan van een ringbandruptuur voorkomen.

Kapselletsel van de vingergewrichten
Door fors zijdelings kracht uit te oefenen, vooral als de vinger in een 'mono' (één-vingergat) of in een spleet zit, kan een overrekking of scheuring optreden van het gewrichtskapsel. Er ontstaat een zwelling door vocht in het gewricht en er kunnen hematomen (bloeduitstortingen) zichtbaar worden. Behandeling: koelen, waarna een periode van immobilisatie. Bij het hervatten van het klimmen kan tapen van het aangedane gewricht overwogen worden, evenals 'buddy-tapen' (twee vingers aan elkaar). Preventie: moeilijk, vooral bij het rotsklimmen is deze blessure niet altijd te vermijden.

Het vierde-lumbricalissyndroom
Dit is een blessure die behalve bij sportklimmers ook bij boogschutters beschreven wordt. Vaak wordt de pink niet gebruikt omdat de greep te klein en de pink te kort is. De klimmer gebruikt zijn wijs-, middel- en ringvinger om zich mee op te trekken. De pink 'hangt' er als het ware bij. Wordt er forse kracht gebruikt dan kunnen scheuren ontstaan in de aanhechtingen van de buigpezen van de ringvinger en de pink. Dit veroorzaakt pijn in de handpalm aan de pink-zijde. Als therapie wordt buddytapen aanbevolen, zo nodig operatieve behandeling. Preventie: de pink 'erbij' houden.

Chronische overbelastingsletsels
peesontstekingen
De buigpezen van de vingers worden tijdens het klimmen, maar nog meer tijdens sportklimtraining, fors belast. De meeste pees-(schede)ontstekingen ontstaan dan ook bij de training. Soms zijn de oorzaken overduidelijk: geen warming-up/cooling-down, te snel een te hoge moeilijkheidsgraad willen bereiken, trainen op te kleine greepjes of randjes, trainen met de vingers in 'arqueé'-positie. Soms is het niet duidelijk, mogelijk ligt een oorzaak in de constitutie: lange, dunne vingers zijn misschien kwetsbaarder dan korte, brede.
De symptomen zijn: pijn bij bewegen en bij belasten, drukpijn en eventueel is er crepitatie (een soort 'knisperen') te voelen in het verloop van de betreffende pees. Dit ontstaat doordat de binnenkant van de peesschede ruw is geworden. Ter plaatse kan ook zwelling ontstaan. Zelfs kan de peesschede door de ontstekingsreactie plaatselijk te nauw worden, waardoor een vicieuze cirkel ontstaat.
Behandeling bestaat verder uit NSAID'S (niet-steroïde ontstekingsremmers) en - in hardnekkige gevallen - injecties met ontstekingsremmende medicamenten in de peesschede. Vaak is de behandelaar in een dergelijk geval een plastisch chirurg.

Verdikte vingergewrichten
Tot op zekere hoogte is verdikking van de vingergewrichten een normale aanpassing aan de belasting. De vingergewrichten zijn scharniergewrichten, er is slechts beweging mogelijk om één as. Toch worden deze gewrichten tijdens het klimmen vaak in andere richtingen belast: zijdelings buigen of draaien. Het mag duidelijk zijn dat dit, indien dit zeer frequent gebeurt, een oorzaak is van irritatie van de gewrichten. Het resultaat blijkt uit de vele klachten van klimmers over stijve vingers bij het ontwaken, 'startpijn', pijn en zwelling na belasten en problemen met de fijne motoriek. Het geheel strekken of sluiten van de hand is beperkt. Therapie: aanpassen van, dan wel tijdelijk stoppen met de training, NSAID'S, onbelast oefenen en vooral een goede warming-up en cooling-down.

Artrose (slijtage)
Onderzoekers hebben de handen van een groep klimmers, die deze sport al heel lang beoefenen, op dit aspect bekeken. Een groot gedeelte van de groep had enige röntgenologische symptomen van slijtage van de vingergewrichten. Vooral bij de ouderen in deze groep was dit evident. Deze oudere klimmers haalden bij lange na niet het niveau, dat tegenwoordig door de 'top' geklommen wordt.

Terug naar onderwerpen

Preventie van sportklimblessures

Bij sommige blessures is vrij nauwkeurig aan te geven wat de waarde van specifieke preventieve maatregelen is. Soms is dat niet zo duidelijk en is het van groot belang een aantal min of meer algemene voorzorgen in acht te nemen. Samenvattend de volgende zaken:
- goede warming-up en cooling-down,
- stretching,
- vermijden van trainingsvormen zoals die in het verleden gehanteerd werden, zoals: het 'springen' naar smalle richels, verzwaard met extra gewichten (tot 75 kg!),
- heel langzaam stijgen van het klimniveau,
- voldoende rust, vooral na krachttraining,
- periodisering,
- aandacht voor de algemene conditie.

Terug naar onderwerpen


Heeft u vragen of opmerkingen over deze site? Mail ons: info@sportzorg.nl
SitemapStuur deze pagina naar een vriend   Print deze pagina
 
header_left Zoeker header_right

Helaas, u heeft de nieuwste flashplayer nodig om deze website te kunnen bezoeken. U kunt de player hier downloaden.


header_left Vragenlijst header_right

Ticker check
header_left Nieuwsbrief header_right

Ontvang onze gratis nieuwsbrief
Aanmelden voor de Sportzorg nieuwsbrief