Jaarlijks ontstaan er in Nederland 130.000 tennisblessures. Ontzettend veel tennissers staan daardoor jaarlijks korte of langere tijd buitenspel. Om het aantal tennisblessures te verlagen besteedt de KNLTB aandacht aan Tennis Blessure Vrij. De KNLTB heeft verschillende materialen om aandacht te vragen voor Tennis Blessure Vrij. In het kader van Tennis Blessure Vrij zijn een 18-tal blessurekaarten ontwikkeld door de KNLTB. De meeste blessures kùn je voorkomen door preventieve maatregelen te nemen. Toch kun je ondanks alles soms door domme pech een blessure oplopen.
Op deze pagina kunt u de Tennis Blessure Vrij kaarten downloaden (PDF). De kaarten hebben de volgende onderwerpen:
Per blessure krijgt u antwoord op de vragen:
- Wat is het?
- Wat moet u doen (EHBO)?
- Hoe zorgt u voor het beste herstel (revalidatie)?
- Hoe voorkomt u herhaling (preventieve maatregelen)?
Voor meer informatie over tennis en blessures kijkt u op www.knltb.nl. Voor meer informatie kunt u contact opnemen met tennisblessurevrij@knltb.nl.
Bron: www.knltb.nl
Klik op de afbeelding om het bericht vergroot weer te geven.

Bron: De Telegraaf, 16 februari 2007
Klik op de afbeelding om het bericht vergroot weer te geven

Bron: De Telegraaf, Telesport (Sportmedische rubriek), 30 juni 2007. Door Jos Benders, chef arts Service Medical
Voor aanvullende informatie kunt u hieronder op een aantal onderwerpen klikken. Deze informatie is geschreven door (medisch) deskundigen.
Het spel
Wedstrijden
Bewegings- en belastingsanalyse
Voeding
Het spel
De tennissport kent vijf spelvormen: het damesenkelspel, het herenenkelspel, het damesdubbelspel, het herendubbelspel en het gemengd dubbelspel. Zoals figuur 1 toont is het speelveld voor het dubbelspel breder dan voor het enkelspel. Op het eerste gezicht lijken de spelregels simpel. De bal moet door de spelers beurtelings over het net naar elkaars speelveld worden geslagen en de bal mag één keer binnen de lijnen van die speelhelft stuiten. Een dergelijke slagwisseling wordt 'rally' genoemd en wie een rally wint - door de bal buiten het bereik van de tegenstander te slaan of door een foutieve slag van de tegenpartij - wint het punt.
De eerste slag van de rally (opslag of service genoemd) moet in het diagonaal gelegen servicevak aan de overzijde van het net worden geslagen. Er mogen daartoe twee pogingen worden gedaan. De puntentelling komt ietwat vreemd over en de herkomst is raadselachtig. Wint men de eerste rally, dan scoort men 15 punten. Twee gewonnen rally's leveren 30 punten op, drie rally's 40 punten en bij winst van vier of meer rally's wordt een spel of game toegekend, mits men ten minste twee rally's meer heeft gewonnen dan de tegenstander. De term 'love' (nul punten) zou afkomstig zijn van het Franse 'l'oeuf', waarbij de vorm van het ei de 0 uitbeeldt. De score 'deuce', mogelijk afkomstig van het Franse 'deux' ('nog twee!'), geeft de stand 40-gelijk aan. Na elke game wisselen de spelers van service. Bij een oneven aantal gespeelde games wordt van speelhelft gewisseld.
Wie 6 games gewonnen heeft wint een set, mits het verschil in gewonnen games met de tegenstander minimaal twee is. Wordt de stand 6-6 bereikt dan volgt een tiebreak, waarin de spelers afwisselend serveren. Wie het eerst 7 punten scoort wint de tiebreak en daarmee ook de set, mits het verschil minimaal twee punten is. In uitzonderingsgevallen kan de toernooileiding vooraf bepalen dat geen tiebreak wordt gespeeld en moet men doorspelen tot een verschil van twee games bereikt is. Wie 2 sets wint, wint de wedstrijd ('best of three'.) Alleen in Davis Cup-wedstrijden, grand slams en finales van enkele grote toernooien moeten heren voor een overwinning 3 sets op hun naam brengen ('best of five').
Terug naar onderwerpen
Wedstrijden
Iedere tennisser, van welke speelsterkte dan ook, kan aan wedstrijden deelnemen. In teamverband kan men deelnemen aan de competities en individueel aan de talrijke toernooien. De competities en toernooien zijn op speelsterkte ingedeeld en worden in het gehele land georganiseerd. Er zijn junioren-, senioren-, en veteranenwedstrijden en wedstrijden voor rolstoeltennissers. Daarnaast besteedt de KNLTB aandacht aan minitennis voor kinderen van 5 tot 8 jaar, aan schooltennis, aan straattennis en aan senior-plustennis (55+). De nationale topspelers en -speelsters doen mee aan de internationaal georganiseerde Futures-, Satellites- en Challenger-toernooien die het voorportaal vormen van de financieel aantrekkelijke ATP- en WTA-toernooien en de vier mondiale toptoernooien, bekend als de grand slams: de Australian Open in Melbourne, Roland Garros in Parijs, Wimbledon in Londen en de US Open in New York. Ook de landenwedstrijden voor tennisteams, zoals de Fed Cup voor de dames en de Davis Cup voor de heren zijn evenementen die vanwege hun hoge kwaliteit en aparte sfeer grote publieke belangstelling genieten.
Terug naar onderwerpen
Materiaal
Rackets, banen en ballen verschillen onderling aanzienlijk. Tennissers moeten daarmee rekening houden en bewust hun materiaal kiezen. Materialen beïnvloeden de snelheid van het spel en dientengevolge de techniek en tactiek. Ze kunnen blessures in de hand werken, maar ook gebruikt worden bij de preventie daarvan. Ook de fysiologische belasting, die tennis aan zijn beoefenaren oplegt, wordt door de materialen beïnvloed.
Het racket
De speeleigenschappen van het racket worden vooral bepaald door het materiaal, het gewicht en de balans, de bespanning, de grootte van het frame en de dikte van de greep.
Het overgrote deel van de metalen frames wordt gemaakt van aluminium, dat relatief goedkoop is en eenvoudig tot een racket is te verwerken. Tevens is aluminium licht en stijf, waardoor het aluminiumracket krachtig, goed hanteerbaar is en prima geschikt voor aanvallend spel. Het nadeel is echter de vrijwel onbelemmerde doorgave van trillingen aan de hand. De graphite-composite frames bestaan meestal uit een grafiet/glasfibercombinatie. Hoe meer grafiet het racket bevat, hoe stijver het racket zal zijn en hoe meer controle het geeft; hoe meer glasfiber, hoe flexibeler het racket. Daarnaast bevatten de rackets vaak nog andere kunststoffen, veelal uit de luchtvaart afkomstig, zoals kevlar, boron, keramiek. De levensduur van graphite-composite rackets is langer dan die van houten of metalen rackets.
Het gewicht van een racket varieert tussen de 260 en 360 gram. Een lichter racket is beter te manoeuvreren en minder vermoeiend om mee te spelen dan een zwaarder racket. Een zwaarder racket daarentegen heeft een betere schokdemping. Het is niet zo dat men om krachtig te slaan een zwaar racket nodig heeft, want de balsnelheid wordt meer bepaald door de snelheid dan door het gewicht van het racket. De balans van het racket (topweight of handleweight) hangt af van het balanspunt. Serve- en volleyspelers zullen in het algemeen kiezen voor handleweight, baselinespelers eerder voor topweight.
Grootte van het frame: De sweetspot is de plek van de bespanning waar de maximale energie aan de bal geleverd wordt bij een minimale geleiding van de vibratieschok naar de hand. Midsize- en oversizerackets zijn door hun grotere racketblad - en daarmee grotere sweetspotarmvriendelijker dan kleinere modellen van hetzelfde materiaal.
Bespanning: Iedere snaarsoort, kunststof of darm, kan zacht of hard bespannen worden. Een zachte bespanning is gunstig voor de arm, doordat de contacttijd van de bal op de snaren langer is dan bij een harde bespanning. De schok wordt daardoor over een langere tijd verdeeld met als gevolg een lagere piekbelasting.
Zachte bespanningen produceren een hogere balsnelheid. Hardere bespanningen hebben minder 'trampoline-effect' maar verschaffen een betere controle. De ergste schok ontstaat wanneer een bal buiten de sweetspot op de verticale as wordt geraakt. Een trillingsdemper in de snaren heeft een verwaarloosbaar effect. Weliswaar worden de trillingen van de snaren snel gedempt, maar niet de trillingen van het racket zelf.
Greepdikte: De greep van het racket moet de juiste omvang hebben, zodat deze gemakkelijk aanvoelt en krampachtig knijpen vermeden wordt. Te dunne en te dikke grepen zijn even slecht. Beide geven aanleiding tot klachten. De juiste omtrek van de greep kan worden bepaald door de afstand van de lange handlijn tot aan de top van de ringvinger te meten of door het racket 'een hand te geven'. Dan moet tussen de duimmuis en de vingertoppen een tussenruimte zijn van ten hoogste een pink.
Tips voor een armvriendelijk racket.
1. Kies voor een zachte, veerkrachtige bespanning.
2. Dunne snaren absorberen schokken beter dan dikke.
3. Een dicht snaarpatroon is gunstig door een lagere snaarspanning.
4. Darmsnaren zijn zeer veerkrachtig en worden in dit opzicht slechts door de beste kunststofsnaren benaderd.
5. Aluminium frames zijn niet 'armvriendelijk'. Hout en de betere grafietsoorten hebben een uitstekende trillingsdemping.
6. Kies een midsize of oversize racketblad. Grotere rackets hebben een grotere sweetspot met minder schokwerking.
7. Zwaardere rackets absorberen trillingen beter dan lichtere. Kies het zwaarste racket, dat goed in de hand ligt en comfortabel aanvoelt.
8. Handleweight is armvriendelijker dan topweight.
9. Een flexibel racket geeft minder schokwerking dan een stijf racket, vooral bij ballen die buiten de sweetspot geraakt worden.
10. Zorg voor een goede, gemakkelijk aanvoelende greep.
Speeloppervlak en tennisschoen
In Nederland wordt buitentennis meestal op gravel gespeeld en binnentennis op hardcourt of tapijt. Grasbanen, voornamelijk bekend door het roemruchte Wimbledon, zijn zeldzaam. Tegenwoordig komen er steeds meer weerbestendige kunstgrasbanen, waarop ook in de winter getennist kan worden. De baansoort beïnvloedt de conditionele belasting. Op hardcourt, tapijt en vooral gras stuit de bal sneller dan op het klassieke gravel. Daardoor duren rally's op gravel het langst en is het spel op hardcourt en gras explosiever.
Vandaar de verschijning in de tennistop van baansoortspecialisten, die zich op één ondergrond bij uitstek thuisvoelen.
Ook heeft de baansoort invloed op de blessure-incidentie. De gravelbanen, waarop de voet in de bewegingsrichting meeglijdt en daardoor een lage schokbelasting ondervindt, zijn voor enkels, knieën en rug het vriendelijkst. Een goede schoenkeuze is essentieel. Elke baansoort stelt zijn eigen eisen aan de tennisschoen. Het profiel van de zool dient aangepast te zijn aan de speelvloer en moet bijvoorbeeld grof zijn op gladde en fijn zijn op stroeve banen. Het contrefort moet de hiel voldoende steunen bij wendingen van de voet. De hak moet hoog genoeg zijn en de schoen als geheel goed veerkrachtig. Een verkeerde schoen keuze vergroot de kans op blessures; goedkope schoenen zijn duur voor de gezondheid. Het is raadzaam om nieuwe schoenen aan het eind van de middag te passen, wanneer de voeten iets dikker zijn. Beter een iets te ruime schoen met desnoods een extra paar sokken dan een nauwe schoen met blaren!
De tennisbal
Van de door de KNLTB en ITF (International Tennis Federation) goedgekeurde ballen is een goede kwaliteit verzekerd. Worden op den duur de ballen echter te zacht, dan belasten zij de arm zwaarder en moeten zij vervangen worden. Ook kale of vochtige ballen vormen een grotere arm belasting en spelen minder comfortabel. Vrij nieuw is de ontwikkeling van de - eveneens vaak goedgekeurdedrukloze ballen, die duurzaam zijn en hun stuithoogte behouden. De stuithoogte is namelijk afkomstig van het materiaal zelf en niet, zoals bij de klassieke tennisbal, van de gasdruk binnen de bal.
Soms wordt echter als bezwaar ondervonden dat de drukloze bal een hardere schok op het racket veroorzaakt en daardoor minder armvriendelijk zou zijn. Het gebruik van een drukloze bal is te ontraden als de elleboog pijnlijk is of recent pijnlijk is geweest.
Terug naar onderwerpen
Bewegings- en belastinganalyse
De slagen
In technisch opzicht is tennis een uitermate veeleisende sport omdat elke tennisslag specifieke technische moeilijkheden en mogelijkheden in zich heeft. De forehand wordt aan de zijde van de slagarm geslagen, de backhand aan de andere zijde. Zowel de forehand als de backhand kunnen enkelen dubbel handig worden geslagen. Bij een forehand of backhand uit 'open' stand staat het been van de kant waar geslagen wordt voor en is er meer romprotatie; bij een klassiek geslagen forehand of backhand uit gesloten stand staat het andere been voor. De service en smash worden boven de schouder ('overhead') geslagen en bij de forehand- en backhandvolley wordt de bal direct uit de lucht, dus zonder stuiten, gespeeld.
Een dropshot is een korte bal die vlak achter het net valt; een lob wordt hoog over de tegenstander heen geslagen. Ten slotte kunnen de forehand, backhand en service nog vlak, met topspin (een hoog doorschietende bal) of met slice (een laag doorschietende bal) worden geslagen, wat de technische veelzijdigheid van het spel illustreert. Het optimaal benutten van deze technische vaardigheden vergt veel tactisch inzicht. Het verwerven van deze technieken berust op een sterk ontwikkelde coördinatie en flexibiliteit, essentiële onderdelen van de tennisspecifieke conditie.
Bewegingspatroon
De afmetingen van een tennisbaan zijn klein vergeleken met speelvelden van veel andere sporten. Om de bal te bereiken sprint men maximaal 14 meter (de diagonaal van de helft van het speelveld, en de gemiddelde loopafstand per slag is 2 à 4 meter. Tennis is dus een spel van korte sprintjes, explosieve bewegingen en snelle wendingen. Dat vergt snel en doelmatig voetenwerk en explosieve start-, rem- en sprongkracht gecombineerd met lenigheid.
Tenniswedstrijden kunnen al snel zo'n 2 uur duren; de beschreven bewegingen moeten dus geruime tijd worden volgehouden.
Speeltijdanalyse
De duur van tenniswedstrijden varieert sterk; rally's en pauzes van wisselende lengte volgen elkaar op. Zonder uitzondering is de netto speeltijd verrassend kort in vergelijking met de totale pauzeduur, waaronder zowel de pauzes tussen twee rally's als de zitpauzes bij het wisselen van speelhelft begrepen worden. Vooral bij toptennis kan een pauze uitlopen door applaus van het publiek, discussies met scheidsrechters en concentreren voor een volgende rally. In het algemeen is de netto speeltijd bij de mannen korter dan bij de vrouwen en op hardcourtbanen korter dan op gravel. Verreweg de meeste rally's halen de 10 seconden niet; rally's langer dan 10 seconden zijn schaars en van meer dan 20 seconden zeldzaam.
Uit de gemiddelde duur van de rally's blijkt voorts dat zowel bij de mannen als bij de vrouwen het tragere gravel langere slagenwisselingen oplevert dan het snellere hardcourt. Op een wat lager niveau in de Nederlandse competitie (tweede klas zondag, zijn de netto speeltijd en gemiddelde rallyduur langer dan in de absolute top, maar ook hier overweegt onmiskenbaar de duur van de speelpauzes.
Motorische eigenschappen
Op gravel worden door de langere rally's de hoogste aërobe eisen gesteld. Hardcourt en gras vergen meer explosiviteit. Veel spelers hebben op basis van hun aanleg een favoriete ondergrond; vandaar de verschijning van diverse speltypen in de tennistop, zoals het serve- en volleyspel op hardcourt en gras en het baselinespel met veel topspin op gravel.
Naast het uithoudingsvermogen moeten bij tennissers ook de andere motorische grondeigenschappen en vaardigheden aanwezig zijn. Door de combinatie van lopen en slaan, beide met verschillende snelheden en richting en vaak onder tijdsdruk, stelt tennis hoge eisen aan de coördinatieve vermogens van een speler.
Coördinatie is goed trainbaar vanaf zeer jonge leeftijd; de grootste ontwikkeling vindt plaats tussen het zevende en het elfde levensjaar. Snelheid wordt bepaald door zowel conditionele als coördinatieve vaardigheden; bij tennis gaat het met name om reactiesnelheid, snel voetenwerk en acceleratievermogen over korte afstanden (max. 14 meter). Snelheid moet niet alleen buiten de baan, maar zeker ook in tennissituaties, dus met de bal en op de baan, geoefend worden.
Kracht is de laatste jaren bij tennis steeds belangrijker geworden, onder andere bij het voortdurend starten, stoppen, springen, alsmede het krachtig slaan. Tevens speelt kracht een belangrijke rol bij de preventie en behandeling van blessures. Kracht helpt echter weinig als de techniek - dus de coördinatie - onvoldoende ontwikkeld is. Techniek komt derhalve bij tennis op de eerste plaats. Krachttraining wordt in het algemeen pas gestart na het begin van de puberteit.
Lenigheid is onmisbaar voor de (goede) tennisser. Lenigheid kan een directe invloed hebben op de bewegingssnelheid (bij een kleinere bewegingsuitslag is de versnellingsweg immers korter), op het blessurerisico (bij onvoldoende lenigheid een groter blessurerisico) en op het aanleren van de techniek (bij onvoldoende lenigheid een lager leertempo). Lenigheid wordt niet tijdens het tennissen ontwikkeld en moet daarom steeds worden onderhouden; rekoefeningen behoren voor iedere training en wedstrijd een vast programmapunt van de warming-up te zijn.
Cardiovasculaire aspecten
Tennis heeft een intervalkarakter en vereist een matig tot zware dynamische en een geringe statische inspanning. Er zijn grote spiergroepen actief met als regel niet-maximale contracties. De hartfrequentie, het hartminuutvolume en de systolische bloeddruk nemen toe; de perifere weerstand neemt af en er is een volumebelasting van de linker ventrikel. Toch zijn er ook geringe statische elementen, zoals knijpen in het racket, plotseling afremmen na sprintjes en krachtoefeningen bij trainingen.
Hartfrequentie
In rust is bij regelmatig spelende tennissers de hartfrequentie 45-60 slagen/minuut, dus lager dan bij ongetrainde personen. Tijdens het spelen is de hartfrequentie bij volwassenen gemiddeld 140 à 150 slagen/minuut, maar er komen forse schommelingen voor die het intervalkarakter van tennis illustreren, zoals kortstondige belastingtoppen van boven de 170 hartslagen/minuut.
Hartfrequenties zijn overigens niet altijd een zuivere maatstaf voor de omvang van de fysieke inspanning, want ook emoties en psychische belasting spelen een rol. Vlak voor de eerste service klopt het hart 10-15 slagen/minuut sneller!
De hartfrequenties tijdens inspanning van recreatie- en prestatiesporters verschillen weinig. Alleen bij beginners, bij wie door gebrekkige techniek de spelsituaties korter zijn en trager verlopen, ligt de hartfrequentie lager. Deze waarden, steeds hoger dan 60 procent en vaak zelfs 70 procent van de maximale hartfrequentie, zijn enerzijds hoog genoeg om de aërobe fitheid te stimuleren en anderzijds laag genoeg om overbelasting te voorkomen. Voorwaarde is dan wel om 3-5 maal per week te spelen. Overigens is trainen ('een balletje slaan') zeker zo intensief als wedstrijdspelen, de netto speeltijd is groter en extreme belastingtoppen ontbreken. Een bijna ideale trainingsvorm dus, waarmee veteranentennis een goede plaats inneemt als 'gezondheidssport'. Bij ouderen is het verschil tussen de gemiddelde hartfrequentie tijdens het spelen en de maximale hartfrequentie het kleinst. De prestatiereserve is bij hen dus het laagst en de relatieve belastingintensiteit het hoogst. Tijdens het dubbelspel is de gemiddelde hartfrequentie duidelijk lager dan in het enkelspel en is het effect op de cardiovasculaire fitheid dus ook lager.
Bloeddruk
De tensie verandert tijdens het spelen voortdurend en toont individuele verschillen. De systolische druk neemt fors toe terwijl de diastolische druk redelijk constant blijft; dit past in het beeld van een dynamische inspanning. Mannen hebben in het algemeen hogere inspanningswaarden dan vrouwen en bij ouderen neemt de systolische bloeddruk meer toe dan bij jongeren. Soms worden waarden van boven de 190 bereikt, wat als een noodzakelijke en bij gezonde sporters ongevaarlijke aanpassing van het hemodynamische systeem wordt gezien. Bij cardiovasculaire afwijkingen zijn zulke tensiestijgingen niet altijd zonder gevaar.
Coronaire hartziekten
Het gunstige effect van regelmatig tennissen op hart en bloedvaten en het feit dat zoveel ouderen deze sport willen beoefenen doet de vraag opkomen of dit voor coronairlijders en post-infarctpatiënten nog verantwoord is. In het algemeen moeten wedstrijden en zeker het enkelspel worden afgeraden, temeer omdat deze gepaard kunnen gaan met voor coronairpatiënten ongunstige psychische stress en emoties.
De beter doseerbare tennistraining en de minder energie-eisende dubbels hoeven niet zonder meer afgewezen te worden en bij uitzondering kan na een zorgvuldige individuele benadering (grootte van de cardiale schade, psychosociale gegevens) ook voor het enkelspel een verbod achterwege blijven. De marge tussen verbetering van de kwaliteit van het leven en hogere risico's op ernstige gevolgen is echter smal. De arts moet zorgvuldig voorlichten en de sporter moet zich goed bewust zijn van de symptomen en signalen, die eigen zijn aan zijn aandoening.
Uiteindelijk kan dan de patiënt zelf beslissen op basis van eigen verantwoordelijkheid.
Plotse dood
Bij tennis kan men met een plotse dood geconfronteerd worden. Niettemin is het risico uiterst klein. Enerzijds geeft regelmatige lichamelijke inspanning in het algemeen een verlaagd risico op aandoeningen van het hart, anderzijds is de kans op dodelijke slachtoffers tijdens inspanning het grootst. Het risico wordt overigens niet zozeer door het tennissen, als wel door een bestaande cardiovasculaire aandoening bepaald. Boven de 35 jaar is coronairsclerose de belangrijkste boosdoener. Deze leeftijdsgroep is in de tennissport zeer omvangrijk.
De afweging tussen gezondheidswinst - inclusief het sportplezier - en gezondheidsrisico's kan slechts individueel worden gemaakt.
Hittebelasting
Tenniswedstrijden worden onder zeer verschillende omstandigheden gespeeld.
De duur van een wedstrijd varieert van één tot meer dan drie uur en is onvoorspelbaar; ook worden soms diverse wedstrijden per dag gespeeld. De weersomstandigheden kunnen droog en koel, maar ook vochtig en extreem warm zijn.
In droge, hete omstandigheden geschiedt 80-90 procent van de hitteafgifte door transpiratie en zweetverdamping. Dat veroorzaakt veel vochtverlies en daarom is bij sporten in de warmte een ruime vochtopname nodig. Volwassen mannen verliezen meer transpiratievocht (2-2,5 liter/uur) dan volwassen vrouwen (ca. 1 liter/uur). Een gewichtsverlies door transpiratie van meer dan 2 procent leidt al tot prestatieverlies. Dorst is geen goede indicator voor de hydratietoestand; voordat er dorst is, is al 1,5 liter vocht verloren gegaan en is het prestatievermogen al verminderd. Dorst betekent dat er 2-3 procent dehydratie is; door drinken van zuiver water wordt de dorst al gelest voordat de rehydratie compleet is. Tennissers moeten dus, zeker bij warm weer, regelmatig drinken tijdens hun wedstrijd; circa 110-150 ml vocht bij wisseling van speelhelft is aan te raden. De waterabsorptie verloopt met een hypo- tot isotone koolhydraat-elektrolytendrank ('sportdrank'), die 60-80 gram koolhydraten en ongeveer 600 mg natrium per liter bevat, drie- tot viermaal zo snel als met het drinken van puur water. Bovendien worden de glycogeendepletie en het natriumverlies bestreden en wordt water beter in het lichaam vastgehouden. Een koolhydraat-elektrolytendrank met een hogere concentratie dan 80 gram/liter passeert de maag te traag en veroorzaakt vaak een vervelend vol gevoel.
Na de wedstrijd dient het vochtverlies gecompenseerd te worden, totdat heldere urine geproduceerd wordt.
Een andere belangrijke maatregel bij het spelen in het buitenland is acclimatisatie.
Dit houdt in dat de speler ter plaatse - of in ieder geval onder vergelijkbare omstandigheden - gedurende een periode van circa zeven dagen 1,5-2 uur per dag traint. Het lichaam past zich door een snellere zweetproductie, een veranderde samenstelling van het transpiratievocht en een groter plasmavolume aan de moeilijke omstandigheden aan.
Terug naar onderwerpen
Voeding
Tijdens tennissen is de stofwisseling vele malen hoger dan in rust. De energie wordt in rust voor 90 procent door vetten en 10 procent door koolhydraten geleverd en tijdens zeer intensieve activiteiten voor 90 procent door koolhydraten en slechts 10 procent door vetten. Vetten worden tijdens inspanning aangesproken wanneer de glycogeenvoorraad in de spieren op raakt, maar zijn een 'langzame brandstof' waardoor de snelheid van de energielevering daalt met voor de tennisser een onmiskenbaar kwaliteitsverlies als gevolg. Duurtraining heeft als effect dat bij gelijke inspanning meer vetten worden verbrand, waardoor het glycogeen wordt gespaard. Bij lange speeltijden is dat zeer nuttig.
Op grond van het bovenstaande wordt duidelijk dat een sportdieet vetarm en koolhydraatrijk moet zijn om de glycogeenvoorraad in de spieren zo hoog mogelijk op te voeren. Een normale voeding voldoet in het algemeen ruim aan de (marginaal verhoogde) eiwitbehoefte van tennissers (1,4-1,6 gram/kg lichaamsgewicht). Richtlijnen voor een goed sportdieet zijn 60-70 procent koolhydraten, 10-15 procent eiwitten en 20-25 procent vet.
Ook tijdens langdurige inspanningen moeten koolhydraten worden aangevuld, want de glycogeenvoorraden zijn na een uur intensief tennis flink gedaald. Het is aangetoond dat aanvulling van de koolhydraten een gunstig effect op de tennisprestatie heeft. Het meest efficient zijn koolhydraatoplossingen in dranken, in het algemeen 60-80 gram/liter, daar die snel door het lichaam worden opgenomen. Ook rijpe bananen (rijpe bananen bevatten meer koolhydraten, groene bananen meer vezels), crackers en 'energierepen' zijn bruikbaar, maar hiervan is pas na 1-2 uur effect te verwachten.
Na het spelen moet de afgenomen koolhydraatvoorraad worden aangevuld. Dit geschiedt het snelst gedurende de eerste uren na de wedstrijd. Naast de koolhydraatoplossingen zijn ook rijst, pasta's, aardappelen en brood vooral bij proftennissers populair en vormen bruikbare voedingsmiddelen tussen twee wedstrijden in.
Terug naar onderwerpen