Zoeken
header_left header_right

header_left Sportzorg adressen header_right

   Home > Sporttakken > Wielrennen

Artikelen

 Voor overige informatie kunt u hieronder op een aantal onderwerpen klikken. Deze informatie is geschreven door (medisch) deskundigen.

Inleiding 
Organisatie 
Materiaal 
Training 
Voeding 
Drinken 
Blessures en ziektes

- Acute ongevalsletsels 
- Overtraining 
- Nekklachten 
- Fietsershand 
- Rugklachten 
- Zadelpijnen 
- Knieklachten 
- Voetklachten 
- Onderkoeling 
- Luchtwegproblemen 
- Problemen met hart en bloedvaten 
- Bloedvatproblemen in de lies 

Preventie van blessures 
Wielrennen en doping

Inleiding

Wielrennen is een duursport bij uitstek, die vaak zeer zware eisen stelt aan de beoefenaar. Bovendien heeft in de laatste decennia de commercie zich van het topwielrennen meester gemaakt waardoor met het stijgen van de amusementswaarde de zwaarte nog verder is toegenomen. Naast zeer interessante materiaaltechnische ontwikkelingen zien we in de loop van de jaren ook een sportspecifiek begeleidingspatroon ontstaan, niet alleen op trainingsgebied maar ook op het terrein van de sportmedische zorg.
Bij veel wedstrijdfietsers bestaat een grote behoefte aan gerichte adviezen en begeleiding.

Terug naar onderwerpen

Organisatie

Hoewel er verschillende organisaties zijn die zich met het organiseren van wielerwedstrijden bezighouden, is de Koninklijke Nederlandse Wielren Unie (KNWU) de enige nationaal en internationaal erkende organisatie. De KNWU is aangesloten bij alle nationale overkoepelende sportorganisaties (waaronder NOC*NSF) en internationaal bij de Union Cycliste Internationale (UCI). Onder het KNWU bestuur ressorteren de commissies voor wegsport, baansport, veldrijden, mountainbike, fietscross en jeugdwielrennen.
Er bestaat een zeer groot scala aan wielerwedstrijden, zoals criteriums (kleine lokale ronden), klassiekers (wedstrijden van stad tot stad), meerdaagse etappewedstrijden, baanwedstrijden (o.a. sprint, achtervolging, ploegenachtervolging, puntenkoers, keirin, wedstrijd over 1 km), veldritten met 'gewone' racefietsen, veldritten met de ATB (all terrain bike) en fietscrosswedstrijden (zeer korte wedstrijden op een klein geprepareerd parcours met hindernissen). Elke wedstrijdvorm kent eigen spelregels die zijn vastgelegd in de reglementen van KNWU en UCI.
Om de competitie naar geslacht en leeftijd eerlijker te maken is de wielersport per onderdeel weer in verschillende categorieën licentiehouders gesplitst. Zo zijn er de jeugd, de nieuwelingen, junioren, neo-amateurs, elite-amateurs (al dan niet met beroepscontract), cyclosportieven, veteranen, nieuwelingen-dames, junior-dames, dames en recreanten (de laatsten met dag licentie). Voor jeugdrenners, nieuwelingen, junioren en de daarmee gelijk te stellen damescategorieën zijn er beperkingen ten aanzien van maximale wedstrijdafstand en te steken verzet (versnelling). Het mountainbiken (ATB) kent klassen voor experts, sporters, veteranen, junioren, dames en espoirs. Fietscross kent boys, cruisers, girls, dames, junioren en elite-renners.

Terug naar onderwerpen

Materiaal

Bij de bespreking van het materiaal zullen alleen die zaken aan de orde komen die implicaties voor gezondheid en veiligheid van de wielrenner hebben. Het is belangrijk is om zich te realiseren dat een optimale aanpassing van het materiaal aan de individuele coureur een absolute vereiste is om blessures te voorkomen.

Fiets
Frame
Het belangrijkste onderdeel, waar letterlijk alles om draait, is het frame. De buizenconstructie, die kan worden vervaardigd van roestvrij staal (relatief zwaar), aluminium, koolstof, titanium en magnesium (zeer licht) kan aan alle, door de potentiële gebruiker gestelde eisen worden aangepast. Essentieel is dat er een voor dat specifieke onderdeel van de wielersport geschikt evenwicht wordt gevonden tussen veerkracht (goed op hobbelig terrein, gemakkelijk sturend maar verlies van trapkracht door vervorming van het frame) en stijfheid (weinig trapkrachtverlies maar moeilijker bestuurbaar en schokkerig rijgedrag). Zo zal een baanfiets een andere constructie vereisen dan een veldritfiets en deze weer een andere dan de tijdritfiets.
Jaren geleden was de beenlengte (vloerkruisafstand) bepalend voor de framegrootte, waardoor bij lange renners vaak zeer grote frames werden gebruikt. Deze zijn echter duidelijk minder stijf, waardoor tijdens krachtig trappen verwringingen van het frame optreden, hetgeen kracht kost en dus vermindering van de voortstuwingskracht betekent. Daarom wordt nu vaak gekozen voor kleinere framematen waarbij de zithoogte wordt gewaarborgd door gebruik van een langere zadelpen.

Zadel

Aangezien wielrenners vaak vele uren op de fiets zitten dient het zadel zodanig te steunen dat geen beschadigingen van het zitvlak optreden. In principe vormen de zitknobbels de belangrijkste draagpunten. Dit betekent dat het zadel hard moet zijn om ervoor te zorgen dat de zitknobbels niet te diep wegzinken en het kruis wordt afgekneld. Omdat bij vrouwen de zitknobbels verder uiteen staan en de bekkenkanteling anders is, is een goed dameszadel breder en korter. De keuze van een goed zadel kan veel problemen voorkomen. Een recente ontwikkeling was een 'afzetnok' aan de bovenachterzijde van het zadel waardoor de billen werden gesteund en er meer kracht zou kunnen worden gezet. Deze ontwikkeling heeft echter niet doorgezet.

Stuur
Het klassieke wielrenstuur - de beugel is welbekend. Het biedt de mogelijkheid de handen in verschillende posities te plaatsen, afhankelijk van de te leveren prestatie. Zo zal men bij klimmers vaak de handen op het stuur zien zodat, door trekken aan het stuur, meer kracht kan worden gezet op de pedalen. Sprinters daarentegen zitten juist 'diep onder in de beugel' om aërodynamisch gunstiger te kunnen koersen. Belangrijk is dat het stuur voldoende breed is om de beweging van de borstkas bij het ademhalen niet te belemmeren.
De laatste jaren hebben de triatlonsturen sterk aan populariteit gewonnen. Hierbij worden de ellebogen gesteund en de handen samengehouden om de luchtweerstand te verminderen, voornamelijk tijdens tijdritten. Ook wordt vaak een opzetstuurtje gemonteerd op de klassieke beugel om tijdens ontsnappingen aërodynamischer te zijn.

Pedalen
Het is belangrijk voor een goede krachtoverbrenging dat de voeten van de renner stevig op de pedalen gefixeerd zijn.
Vroeger gebeurde dat met de zogenaamde toe clips (teenhaken met riempjes). Tegenwoordig bijna uitsluitend met een click-mechanisme waarbij een nokje onder de wielerschoen in een slotje op de pedaal vastklikt. Uiteraard vereist dit een goede afstelling zodat in geval van nood de voet wel van de pedaal kan loskomen. Tevens dient er toch enige speling te zijn om verwringing van de knie tijdens de pedaalslag te voorkomen.
De cranks (pedaalarmen) zijn meestal standaard 170 mm lang. Om toch te kunnen doortrappen in bochten (criterium) kan een lengte van 165 mm wenselijk zijn, terwijl meer kracht kan worden verkregen (tijdrit, klimmen) door een lengte van 175 mm te monteren. Alle tussenmaten zijn verkrijgbaar.

Verzet
Beter dan van 'versnelling' spreken we van 'verzet'. Verzet is het aantal meters dat door de fiets wordt afgelegd tijdens één pedaalomwenteling. Dit zal afhangen van drie factoren: wielgrootte, grootte van het voortandwiel en grootte van het achtertandwiel. Het verzet kan worden berekend door het aantal tanden van het voortandwiel te delen door het aantal tanden van het achtertandwiel, vermenigvuldigd met de omtrek van het achterwiel in centimeters.
De wielgrootte in de wielrennerij is standaard 27 inch (omvang ca. 2,14 m). De laatste jaren is hierin enige verandering gekomen door het gebruik van speciale tijdritfietsen ('duikbootfietsen') met een klein voorwiel en een groot achterwiel, om de aërodynamiek te verbeteren.
Baanfietsen hebben één voortandwiel, de meeste racefietsen twee, ATB's meestal drie. De standaardcombinatie is een blad met 42 en een blad met 52 tanden ('het grote mes'), maar iedere renner kan - afhankelijk van het parcours en zijn fysieke mogelijkheden - andere voorbladen monteren.
Het vaste achtertandwiel bestaat alleen in de baanrennerij. Alle andere fietsen hebben een dérailleur ('apparaatje') met een free-wheel (pignon) waarop een pakket van zes tot negen tandwieltjes ('kransjes') gemonteerd kan worden (zes tot negen 'vits'). Een dergelijke 'pion' kan naar believen worden opgebouwd, waarbij de keuze van de kransjes sterk afhankelijk is van de fysieke eigenschappen van de coureur en van de eisen die het parcours van die dag stelt.

Kleding
Evenals bij de fiets zullen ook hier alleen de voor de gezondheid en de veiligheid relevante onderdelen aan de orde komen. Veelal wordt fietskleding verstrekt door een sponsor, die vooral aandacht zal hebben voor de opvallendheid van zijn ploeg. Ook de fietser zelf zal soms eerder kiezen voor modieuze en vooral trendy kleding en minder oog hebben voor gezondheids- en veiligheidsaspecten. Het is goed hiermee bij de advisering rekening te houden.

Wielerbroek
Algemeen gebruikt wordt de karakteristieke, van elastische kunstvezel gemaakte broek met (kunst)zeemleren kruis. Dit zeemleer dient ter bescherming tegen het doorzitten en mag geen centrale naden of vouwen vertonen. De broek dient na ieder gebruik zonder zeep te worden gewassen. Daarnaast verdient het aanbeveling om bij langere koersen of bij gebleken irritaties van het kruis, het zeemleer voor gebruik in te vetten.
Dat kan gebeuren door het zeemleer (en het kruis van de renner) te bestrooien met vette talkpoeder, waarbij moet worden opgelet dat geen korrels worden gevormd. Vooral bij jeugdige renners kan dat voldoende zijn, maar bij ouderen en bij zware lange koersen is een stevige laag speciaal broekenvet aan te raden.

Vooral bij dames doen zich, door andere anatomie, nogal eens irritaties voor ('schrale lippen'). Tegenwoordig zijn er gelukkig voldoende goede damesbroeken te koop die volledig aangepast zijn aan de vrouwelijke anatomie. Preutse jongere renners willen nog wel eens een gewone onderbroek onder de koersbroek dragen. Natuurlijk moet dat worden afgeraden, omdat dan het voordeel van het naadloze zeemleren kruis weer teniet wordt gedaan.

Schoenen

Deze moeten de voet stevig omsluiten en een niet-vervormbare kunststof of metalen tussenzool hebben om de grote krachten op de pedalen over te brengen.
Op de zool is een plaatje gemonteerd waarmee de schoen op de pedaal geklikt kan worden. De as van de pedaal dient exact onder de bal van de voet te liggen.
Belangrijk is dat het contrefort geen vervorming toelaat omdat anders de voet geleidelijk naar achteren schuift in de schoen en de krachtsoverbrenging verschuift van de bal van de voet naar de tenen. Hierdoor treedt naast krachtverlies ook gemakkelijk een voetblessure op in de vorm van zenuwbeknelling of klauwtenen.

Helm
De klassieke helm, ook wel 'bananentros' genoemd, zoals die decennialang op vedettehoofden te zien is geweest en die wetenschappelijk aangetoond geen enkele bescherming bood, behoort gelukkig tot het verleden. De helm behoort een polystyreen (piepschuim) schaal te bevatten die de schedel beschermt tegen geweldsinwerking bij een val.
Het is belangrijk om te weten dat de zogenaamde Calimero-helm, die bij tijdritten en op de baan nogal eens wordt gebruikt, veelal geen polystyreen binnenschaal bevat en wel aërodynamisch, maar zeker niet veilig is!
Het verdient aanbeveling renners de veilige helm ook bij trainingsritten te laten dragen, zodat ze eraan kunnen wennen en niet in wedstrijdsituaties ook nog met hun helm als tegenstander worden geconfronteerd. Bovendien heeft een onderzoek aangetoond dat 92 procent van de vastgestelde hersenbeschadigingen door een val met de fiets ontstaat bij de training en slechts 8 procent tijdens wedstrijden.

Handschoenen
Wielrenners dragen typische vingerloze en in de handpalm gepolsterde handschoentjes. Afgezien van bescherming bij valpartijen is deze polstering bedoeld om zenuwprikkeling ('fietsershand') door leunen op het stuur te voorkomen. Bovendien geven deze handschoentjes bij bezwete handen een betere grip op het stuur.

Terug naar onderwerpen

Training

Met uitzondering van enkele vormen, zoals fietscross (BMX) en sprint die pure explosiesporten zijn, moet het wielrennen worden beschouwd als een duursport met veel en soms zeer intensieve intervalmomenten. Wielrennen heeft, evenals marathonschaatsen, één specifiek vereiste waardoor deze sporten zich onderscheiden van alle andere takken van duursport: om in de wedstrijd te blijven moet men niet 'gelost' worden (achterraken op het peloton). Om 'aan te pikken' (bij het peloton te blijven) moet op gezette tijden een maximale krachtsinspanning worden geleverd. Hierbij moet 'alles worden gegeven' anders 'ligt men eraf' (wordt men gelost) en zal de renner vaak zodanig op achterstand komen dat hij door de jury uit de wedstrijd wordt genomen of, in grote etappekoersen, de kans loopt de tijdslimiet niet te halen en wordt gediskwalificeerd.

Conditie
De conditie van wielrenners zal aan het hierboven genoemde vereiste moeten zijn aangepast. Conditie is een term die in sportkringen voortdurend wordt gebezigd zonder dat voldoende duidelijk is wat daaronder precies wordt verstaan.
De beste vertaling van het woord conditie, zoals dat in de sport wordt bedoeld, is arbeidsvermogen of belastbaarheid, zowel in algemene als in sportspecifieke zin.
De conditie van de ideale wielrenner zou moeten bestaan uit de volgende componenten:
· uithoudingsvermogen (duurvermogen), gepaard aan een goede verdeling van krachten want wedstrijden duren vaak vele uren;
· snelheid, daar nu eenmaal bij elke wedstrijd degene die het eerst aankomt wint;
· aanpassingsvermogen aan zeer intensieve intervallen;
· klimvermogen, daar grote wedstrijden bij voorkeur in - op zijn minst - geaccidenteerd terrein worden verreden;
· sprintvermogen, bij voorkeur nog aanwezig aan het einde van de rit.

Het moet duidelijk zijn dat het haast onmogelijk is om al deze componenten in dezelfde mate in huis te hebben. Er zijn dus specialisten ontstaan:
· klimmers, die vooral, zoals de wielrenner dat zegt, 'goed omhoog kunnen';
· sprinters, die aan het einde van een lange rit nog zo veel explosieve kracht in de benen hebben ('nog wat over hebben') dat ze de sprint van het peloton kunnen winnen;
· rouleurs, op souplesse rijdende 'tempobeulen' die vaak een 'knechtenrol' moeten vervullen om de sprinters van de ploeg in een goede positie voor de eindsprint te brengen;
· tijdrijders, die helemaal alleen kunnen 'afzien' in de rit tegen het horloge.
Conditietests, zowel in het laboratorium als in het veld, geven bij deze verschillende specialisten vaak ook kenmerkende verschillen in meetgegevens te zien.
Waar sporters in andere takken van sport soms hun conditietekort nog met tactiek en techniek kunnen compenseren, is conditie in het wielrennen het allerbelangrijkste. Het zijn dan ook de wielrenners geweest die als eersten een beroep deden op artsen en fysiologen om conditie te meten en adviezen te geven hoe die te verbeteren.

Training en hartfrequentie
Echt nuttig is het gebruik van de hartslagmeter tijdens tijdritten, de training daarvoor, de genoemde duur-tempotrainingen net onder het omslagpunt en intervaltraining. Het is verheugend te constateren dat de begeleiding op wetenschappelijke basis uit het wielrennen niet meer is weg te denken. Hierdoor wordt er volgens schema's getraind, waarin alle elementen van de belasting voorkomen: duurtraining, duur-tempotraining, extensieve en intensieve intervaltraining, snelheidstraining en sprint.
Uitgangspunt is dat er een goede basisconditie aanwezig is die kan worden opgebouwd door bijvoorbeeld in de winter en het vroege voorjaar voornamelijk duurtraining te doen (ongeveer 70 procent van de maximale hartfrequentie).
Daarbovenop kunnen dan door middel van het inbouwen van reeksen van intervallen piekbelastingen worden getraind. Deze intervallen moeten worden verricht bij 90 tot 100 procent van de maximale hartfrequentie en zullen als regel niet langer dan 60 seconden duren.
Bij extensieve intervallen wacht men tot de hartfrequentie op herstelniveau (120 tot 130) is teruggekeerd alvorens een nieuwe interval te beginnen. Bij intensieve intervallen zal men het anaërobe vermogen willen trainen en moet het herstel van de hartfrequentie niet worden afgewacht. Wanneer de hartfrequentie zich niet of erg laat normaliseert, moet - om overtraining te voorkomen - rust worden ingebouwd en zeker geen interval worden getraind.
Regelmatige conditiemetingen, de zogenaamde (sub)maximaaltests op een ergometerfiets met de hartfrequentie als controleparameter, kunnen zeer zinvol zijn als methode van controle op vooruitgang en het signaleren van ziekte en overtraining. Aan de hand van de resultaten kunnen gerichte medische adviezen en trainingsadviezen worden gegeven. Daarnaast besteden steeds meer jeugdwielrenbegeleiders, gelicenceerde wielrentrainers en clubleiding aandacht aan voeding, verzorging, leefwijze, materiaalkennis en aan stuurvaardigheid, wedstrijd- en ploegentactiek.
Wielrennen betekent grote afstanden afleggen, maar de tijden van het alleen maar domweg 'kilometers maken' zijn definitief voorbij.

Terug naar onderwerpen

Voeding

Wielrennen is een duursport waarbij vaak grote hoeveelheden energie worden verbruikt. In de Tour de France (27 dagen) werd een gemiddeld energieverbruik gemeten van 5900 kcal/dag (24.700 kj) met maxima tot circa 8000 kcal/dag (32.700 kj). Het gemiddelde energieverbruik kan worden geschat op 500 Kcal/uur (2100 kj) bij recreatiefietsers en op 1500 Kcal/uur (6300 kj) bij topcoureurs. Vandaar dat het zinnig is stil te staan bij de specifieke voedingsaspecten van de wielrenner.
Ook de vochtbalans van het sportende lichaam is een belangrijk aandachtspunt.
Bij zware lichamelijke arbeid, vooral wanneer dit bij hoge temperaturen geschiedt, kunnen vele liters vocht verloren gaan. Wordt dit onvoldoende aangevuld dan zal dit onherroepelijk leiden tot prestatievermindering of erger. Vochtverlies van twee procent van het lichaamsgewicht (dit is 1,4 liter bij iemand van 70 kilogram) vermindert het duurvermogen en vier procent verlies (2,8 liter bij 70 kg) vermindert de krachtprestatie. Het verlies in prestatievermogen kan zo oplopen tot twintig procent.

Koolhydraten
De ideale koolhydraatconsumptie bedraagt tien gram koolhydraat per kilogram lichaamsgewicht per 24 uur (voor een renner van 70 kg is dit dus 700 gram koolhydraat/24u). Het lichaam kan niet meer dan 60 gram koolhydraat per uur opnemen, zodat aanvulling na zware inspanning problematisch kan zijn. Onderzoek heeft aangetoond dat tot twee uur na een zware training of wedstrijd de koolhydraatopname het grootste is. Het is daarom aan te bevelen binnen twee uur na een zware training of wedstrijd een koolhydraatdrank te gebruiken waaraan maximaal twee gram natrium per liter is toegevoegd. Natrium zou de koolhydraatopname in de darm bevorderen.
Sportdranken kunnen op deze manier een zeer nuttige aanvulling zijn. Wanneer ze echter te veel koolhydraten bevatten (ze zijn dan hypertoon) kunnen maag-darmklachten ontstaan. Ze moeten dan worden verdund.
Het nemen van grote porties koolhydraten binnen één uur voor een wedstrijd is sterk af te raden. Door de plotselinge stijging van de glucosespiegel in het bloed ontstaat een insulinereactie van het lichaam die kan doorschieten en kan leiden tot een laag bloedsuikergehalte (hypoglykemie) en de nare verschijnselen die daar bijhoren.

Supercompensatie
Wanneer we ons lichaam tijdens een inspanning zo goed als koolhydraat-leeg maken, zal met rust en voldoende koolhydraattoevoer een situatie ontstaan waarbij meer koolhydraten worden opgeslagen dan bij die inspanning zijn verbruikt. Dit is de winst die door training kan worden bereikt en die supercompensatie wordt genoemd. Duursporters maken hiervan gebruik door zich, afhankelijk van hun niveau, zes tot vijf dagen voor een belangrijke wedstrijd een- of tweemaal helemaal leeg te trainen waarbij een koolhydraatarm dieet wordt genomen. Daarna wordt niet meer getraind (hooguit lichte hersteltraining) en zeer koolhydraatrijk gegeten. Op deze wijze kan men een forse extra glycogeenstapeling in de spieren bewerkstelligen die de wedstrijdprestatie zeer ten goede kan komen.

Terug naar onderwerpen

Drinken

Een tekort aan vocht heeft verregaande gevolgen voor de duursporter. Een vochtverlies van twee tot vier procent kan een prestatieverlies van twintig procent inhouden. Met dit vochtverlies treedt een fors verlies van mineralen en sporenelementen op. Het is dus belangrijk dat er geen zogenaamde 'lege' dranken (limonades, cola, e.d.), die alleen suikers bevatten, worden gedronken, maar goed doordacht samengestelde oplossingen die de maag goed passeren, goed in de darm worden opgenomen en zorgen voor voldoende toevoer van vocht en mineralen. Hieraan kunnen dan nog koolhydraten worden toegevoegd, hetgeen de maagpassage echter weer problematischer kan maken.
Tijdens de wedstrijd is het dan ook aan te bevelen slechts vruchtensappen en dorstlessers te gebruiken en het calorieëndrankje te reserveren voor na de koers.

Enkele adviezen:
· drink voldoende van tevoren;
· afhankelijk van intensiteit, temperatuur en luchtvochtigheid één tot twee bidons (à 400 ml) per uur;
· beter enkele flinke teugen tegelijk (200 ml) dan steeds kleine slokjes;
· bij koud weer is drinken minder nodig; toch doen om drinken tot een gewoonte te maken;
· na de wedstrijd 50 tot 100 procent meer drinken dan verlies (wegen).
· Let op: energiedranken zijn geen dorstlessers;
· als je tijdens een wedstrijd dorstgevoel krijgt, is het feitelijk al te laat;
· leer ook tijdens trainingen te drinken.

Drinken moet geleerd worden!

Terug naar onderwerpen

Blessures en ziektes

Acute ongevalsletsels
Bij die wielersportonderdelen waarbij in een peloton wordt gereden doen zich regelmatig valpartijen voor. Als reflex zal de vallende coureur zich vaak aan het stuur vastklemmen waardoor hij met hoofd en schouder het eerst de grond zal raken. Dit leidt tot wielrentypische letsels als ontwrichting van het schouderhoekgewricht en sleutelbeenbreuk)met incidenteel het veel ernstiger overrekkingsletsel van de armzenuwbundel. Uiteraard zijn vele andere letsels mogelijk, zoals breuken van elleboog, pols en middenhandsbeentjes (duim).
In het algemeen zal men, vooral bij de toppers, nogal eens snel besluiten tot operatieve behandeling van botbreuken over te gaan, om zoveel mogelijk validiteit te benutten en het conditieverlies tot een minimum te beperken.
Schedel- en hersenletsel komt bij wielrenners met grote regelmaat voor, soms met fatale afloop, zoals vele jaren geleden bij de Portugese vedette Agostinho.
Een slechte prognose is er voor de dijbeenhalsfracturen door een val op de heup omdat, zeker bij jonge mensen, vaak afsterven van de heupkop als complicatie optreedt.
Meestal echter stuitert de coureur door de hoge snelheid meer langs dan op de straat waardoor slechts oppervlakkige schaafwonden en kneuzingen ontstaan ('het behang is eraf'). Door het dragen van kunststof wielerkleding ziet men bij dit soort valpartijen vaak oppervlakkige brandwonden.

Overtraining
Wanneer van het sportende lichaam te veel wordt geëist, bestaat de mogelijkheid dat de reserves uitgeput raken.
Vooral bij een duursport als wielrennen is dit geen zeldzaamheid. Krijgt het lichaam te weinig gelegenheid zich te herstellen, dan zal het prestatieniveau vrij snel omlaaggaan, gecombineerd met andere typische tekenen van overtraind zijn: slaapstoornissen, anorexie (geen eetlust), moeheid, geen zin in fietsen, oplopen van de hartslagfrequentie en grotere vatbaarheid voor infectieziekten. Herkent de renner dit beeld niet als overtraining, dan zal hij op de prestatiedaling vaak reageren met nog meer trainen, waardoor het steeds slechter gaat. Enkele dagen complete rust kunnen dan wonderen doen. Het is dringend noodzakelijk dat (para)medische begeleiders en trainers op de hoogte zijn van dit typische (ziekte)beeld en de behandeling en het voorkomen ervan. Hier volgt een aantal adviezen om overtraining te voorkomen:
· train niet zwaar te kort voor een wedstrijd, liever enkele dagen rust (zie supercompensatie);
· 20 tot 30 minuten warming-up: 10' licht (bijv. verzet 42/18), 5' zwaar (52/16), 5' rustig (52/18);
· na wedstrijd uitrijden: 15' licht (42/18);
· direct flinke hoeveelheid koolhydraatrijke drank (ca. 100 gram koolhydraat) voor bijvullen van glycogeendepots in de spieren (herstel duurt 8 tot 16 uur na zware inspanning);
· vocht aanvullen, drink 50 tot 100 procent meer dan verloren ging (lichaamsgewicht voor en na);
· zorg voor goede retourcirculatie uit de benen (massage of hoog leggen);
· hersteltraining op maandag na wedstrijdweekend: anderhalf uur op 60 tot 70 procent van de maximale hartfrequentie, licht rijden (bijv. 42/16). Let op: warmhouden!;
· geen zware training of wedstrijd wanneer de rustpols niet is genormaliseerd ('s morgens op vast tijdstip tellen en curve bijhouden in logboek).

Nekklachten
Door de karakteristieke houding op de racefiets wordt, vooral bij brildragers, de halswervelkolom in sterke overstrekking gehouden. Vooral wanneer dit gedurende vele uren wordt volgehouden, zal dat gemakkelijk tot houdingsgebonden nekpijn kunnen leiden. Naarmate de fietser ouder is, zal slijtage nog aan deze klachten kunnen bijdragen. Wat rekoefeningen en eventueel warmte of massage zullen de klachten snel doen verdwijnen.
Door minder 'diep in de beugel' te fietsen, zal dit worden voorkomen.

Fietsershand
De twee belangrijke zenuwen die naar de hand lopen (N. medianus en N. ulnaris) passeren de pols in relatief nauwe tunnels in de handwortel. Door langdurig op de handen op het stuur te leunen (deze dragen dan eenderde van het rompgewicht), vaak bovendien nog met sterke buigstand van de polsen, worden deze zenuwen gemakkelijk afgekneld waardoor tintelvingers ontstaan.
Het is een ongevaarlijke klacht die wel de concentratie tijdens de koers nadelig kan beïnvloeden. Het regelmatig van handpositie veranderen en het dragen van goed gepolsterde handschoentjes zullen meestal voldoende zijn om de klachten
te voorkomen. Bij hardnekkige gevallen kan het verdikken van het stuur door extra stuurlint de greep verbeteren en de druk beter over de gehele hand verdelen.

Rugklachten
De typische ronde rug van de wielrenner zal bij jongeren provocerend kunnen werken op eventuele Scheuermannse afwijkingen (groeistoornis van rugwervels). Het is alleen nodig het fietsen af te raden, wanneer duidelijke rugpijnen in de borstwervels ontstaan.
Lage rugpijn is een vaak voorkomend euvel in de wielersport. Een van de belangrijkste factoren hierbij is het feit dat extra trapkracht wordt verkregen door te trekken aan het stuur.
De hierbij gewonnen kracht wordt via de romp op de benen overgebracht. Omdat het bekken op het zadel gefixeerd is, zal dit betekenen dat 90 tot 100 keer per minuut (trapfrequentie) een kleine draai-zijbuigbeweging naar links en naar rechts optreedt. Hierdoor kan gemakkelijk overbelasting ontstaan die vooral in het begin van het jaar bij trainingshervatting vaak wordt gezien.
Hetzelfde doet zich voor bij slechte fietstechniek, het pompend fietsen. Mede daarom is het verstandig jeugdige fietsertjes te leren ook de enkels bij het fietsen te gebruiken: zogenaamd 'enkelen' of 'coup de pédale'. Hierdoor worden de kuiten als krachtbron ingezet en komt er meer kracht uit de benen.
Het rijden met te zware verzetten dient bij rugklachten te worden afgeraden. De renner zal dan meer op souplesse moeten rijden.
Ook beenlengteverschillen kunnen aangeven tot asymmetrische trapbewegingen en zo klachten geven.
Een te kleine of slecht afgestelde stuur- en zadelpositie kan aan leiding zijn van rugklachten. De meeste rijwielhandelaren, trainers en fietsmonteurs kunnen worden geraadpleegd voor een optimale maatvoering en afstelling, waarbij de meest aërodynamische positie niet automatisch de beste behoeft te zijn!

Zadelpijnen
Door een slechte positie op het zadel zal gemakkelijk perineale (kruis)problematiek kunnen ontstaan. Irritatie, slijmbeursontsteking op de zitknobbels, steenpuisten en fistels rondom de anus kunnen het gevolg zijn.
Goede zadelafstelling, schoon en vooral naad- en rimpelloos zeemleer in de fietsbroek en het gebruik van broekenvet kunnen veel narigheid voorkomen. Ook goede perineale hygiëne (geen zeep gebruiken of extreem goed naspoelen) is dringend noodzakelijk.

Wilt u meer informatie over zadelpijn bij wielrennen, klik dan hier

Knieklachten
Als centraal draaipunt van trapkrachtoverbrenging zal het kniegewricht bij wielrenners zeer veel te verdragen hebben. Bovendien zal de knie op koude dagen in het voorjaar snel onderkoeld raken waardoor het direct onderhuids liggende peesweefsel nog slechter dan normaal doorbloed is en extra blessuregevoelig wordt. Opgelopen letsels kunnen zo trager of geheel niet genezen.
Het rijden met een te groot verzet, slechte afstelling van de fiets (fixatie van de voet in een verkeerde stand), been-lengteverschil en afkoeling (korte fietsbroek bij eerste zonnestraal in het voorjaar) zullen gemakkelijk kunnen leiden tot slijmbeursontsteking, peesontsteking van vooral de kniepees, botvliesontsteking, kraakbeenverweking van de knieschijf en bij jeugdigen het syndroom van Osgood-Schlatter. Incidenteel kan een slijmvliesplooi in het gewricht (plica syndroom) klachten geven.
Preventieve maatregelen bestaan uit het voorkomen van overbelasting door compenseren van beenlengteverschillen, optimaliseren van fietspositie en voetstand, lichte verzetten steken (souplesserijden) en afkoeling voorkomen door het dragen van collants of kniestukken.

Voetklachten
Omdat de bal van de voet direct boven de as van de pedaal ligt worden hierlangs alle krachten overgebracht. Soms ontstaat een zenuwinklemming tussen de kopjes van de middenvoetsbeentjes (Morton's neuroom).
Is het contrefort uitgelubberd en daardoor de voet naar achteren verplaatst, dan wordt niet meer met de bal van de voet maar met de tenen getrapt, hetgeen aanleiding kan geven tot voet- en kuitkrampen en het ontstaan van klauwtenen.

Onderkoeling

Door de vaak hoge snelheden zijn de temperaturen op de huid veel lager dan de eigenlijke buitentemperatuur. Het verdient dan ook aanbeveling om renners, vooral de jeugd, ten strengste af te raden bij de eerste voorjaarszonnestraal meteen de korte broek aan te trekken. Het kan helemaal geen kwaad de collant (vergeet ook niet de lange mouwen en de muts (twintig procent van het lichaamswarmteverlies vindt plaats door de hoofdhuid) aan respectievelijk op te houden zolang het nog niet echt warm is. Op deze wijze kunnen veel chronische blessures worden voorkomen.

Luchtwegproblemen
Bij wielrenners komen veel bovensteluchtwegproblemen voor die zijn terug te voeren tot de zogenaamde aspecifieke hyperreactiviteit. Het gaat hierbij niet om allergie voor een of meer specifieke stoffen, maar om een algemene reactie die sterke slijmvorming en krampachtige vernauwing van de luchtwegen veroorzaakt. Lange tijd heeft men gedacht dat de vervuilde lucht de grote boosdoener was, maar onderzoek bij groepen longpatiënten, gezonde niet-sporters en duursporters heeft aangetoond dat vooral koude lucht, zelfs wanneer deze sterk gezuiverd is, de genoemde typische reacties van de luchtwegen veroorzaakt. Wielrenners zouden hiervoor gevoeliger kunnen zijn door hun langdurige trainingen, vaak al vroeg in het voorjaar en de onmogelijkheid om, zoals bij langeafstandslopers, de ademhaling te beheersen en aan te passen. Dit betekent dat vooral in het koude voorseizoen zeer veel luchtwegklachten optreden met kortademigheid, hoesten, veel slijm opgeven en natuurlijk slechtere prestaties.
Deze klachten kunnen heel goed worden behandeld met een inhaleerbaar corticosteroïd (bijv. Pulmicort).
Zowel UCI als ook het IOC staan, in afwijking van de dopinglijst, het gebruik hiervan toe mits met attest van de behandelende arts. Af te raden is deze klacht bij duursporters te behandelen met beta-2-mimetica (bijv. Ventolin), zoals veel huisartsen met hun 'gewone' patiënten doen. De indruk bestaat namelijk dat deze middelen bij extreme inspanningen hartritmestoornissen kunnen veroorzaken. Bij wielrenners met allergische of aspecifieke luchtwegaandoeningen zijn de volgende leefregels aan te raden:
· zo stofvrij mogelijk slapen in een slaapkamer met gladde, vochtig af te nemen vloer en zonder stofnesten, zoals droogboeketten, fluwelen gordijnen, e.d.;
· alleen dekbedden en hoofdkussens met synthetische vulling gebruiken;
· altijd douchen voor het slapen gaan om zelf ook stofvrij te zijn;
· nooit ondergoed in bed aanhouden, zeker niet datgene dat overdag ook al werd gedragen;
· alleen schone, ruimzittende katoenen nachtkleding dragen of gewoon helemaal niets;
· in de slaapkamer wordt door niemand gerookt;
· geen planten in de slaapkamer met harige bladeren of bloemen;
· geen huisdieren in de slaapkamer.

Problemen met hart en bloedvaten
Hartproblemen
· plotse dood tijdens sport is uiterst zeldzaam;
· plotse dood komt bij jonge sporters niet vaker voor dan bij niet-sportende jongeren;
· bij bijna alle door haar onderzochte sterfgevallen bij sporters was sprake van een cardiologisch verleden of men had al langer hartklachten, vaak zonder dat men die had laten onderzoeken.

Bij wielrenners is een rustpols van 40 of zelfs lager bepaald geen uitzondering. In extreme gevallen vindt men waarden van 28 en 26. In het menselijke 24-uursritme dalen, onder invloed van het parasympathische zenuwstelsel gedurende avond en nacht de lichaamstemperatuur en de hartfrequentie om onder invloed van het sympathisch zenuwstelsel overdag weer te stijgen.
Mogelijk geeft de top van de parasympathicusoverheersing (om circa vijf uur 's ochtends), bij een toch al lage hartfrequentie, kans op een spontane ademen/of hartstilstand. Ofschoon daarover nog discussie gaande is, lijkt het aan te bevelen bij rustpolsen beneden de 30 slagen/min. waakzaam te zijn en het voortzetten van de duursport ter discussie te stellen.

Wielrenners kunnen, evenals alle intensieve duursporters, een vergroting van het hart ontwikkelen. We spreken dan van een 'sporthart'. Dat behoeft geen probleem te zijn, wanneer tenminste de dikte van de hartwanden gelijke tred houdt met de grootte van het hart. Een echografie kan hierover duidelijkheid verschaffen. Het sporthart is een fysiologische aanpassing aan hoge duurbelastingsactiviteiten. Bij het staken van de duursportactiviteiten is het van belang om goed en volgens schema 'after trainen'. Zo kunnen hartgrootte en hartwanddikte symmetrisch afnemen.

Bloedvatproblemen in de lies 
De laatste jaren is een geheel nieuw ziektebeeld bekend geworden dat vrij specifiek lijkt voor de wielersport. Het is een reeds bestaande afwijking in het gebied van de bekken-beenslagader, welke, gecombineerd met de typische gebogen-heuphouding van de wielrenner en de maximale inspanning, zorgt voor het afknikken van de arterie en het stagneren van de bloedsomloop in dat been.
Hierdoor valt bij maximale inspanning ('gaatje dichtrijden', démarrage) plotseling de kracht uit het been geheel weg en moet de renner de benen stilhouden.
Vrij snel zal bij verminderen van de inspanning de arterie weer opengaan en zo kan de renner weer gewoon met het peloton meerijden. Tot bij de volgende maximale inspanning de bloedeloosheid zich herhaalt. Operatieve inkorting van de slagader doet het probleem verdwijnen

Terug naar onderwerpen

Preventie van blessures

Belangrijk bij het voorkomen van ongevalsletsels en blessures is om met deze maatregelen bij de jeugd te beginnen. Jeugdige renners moeten veel techniek leren, ze moeten leren in groepsverband te fietsen, ze moeten leren om de tekenen van overtraining te herkennen, ze moeten leren zich juist te voeden en uitdroging tijdens de koers te voorkomen door te drinken. Deze gehele wielertechnische opvoeding moet in speelse elementen zijn verpakt.

Aanraden en ontraden
De arts, fysiotherapeut en verzorger zullen steeds zeer terughoudend moeten zijn met het op (para)medisch gezag afraden (verbieden) van bepaalde sportactiviteiten. In de meeste gevallen voelt de sporter zelf precies aan hoe ver hij kan gaan en moet eerder het gevoel van verantwoordelijkheid voor het eigen wel en wee worden aangemoedigd. De sporter moet leren luisteren naar de taal van zijn eigen lichaam. Afraden op medische gronden is alleen nodig wanneer de zelfkennis onvoldoende wordt geacht of wanneer echt gevaar dreigt.
Bij jongeren met houdingsgebonden spierpijnachtige rugklachten dient wielrennen niet te worden ontraden, aangezien de klachten vaak juist verdwijnen door het beter getraind raken, mits de fiets goed is afgesteld. Een uitzondering is de actieve (pijnlijke) ziekte van Scheuermann, waarbij door de gebogen wielren houding de vervorming kan toenemen.
Ook bij de knieproblematiek is afraden weinig zinvol. De jonge wielrenner zal zelf zijn beperkingen wel tegenkomen en behoeft eerder begeleiding dan negatieve adviezen.

Terug naar onderwerpen

Wielrennen en doping

Wielrenners hebben nu eenmaal de naam dopinggebruikers te zijn en iedereen weet eigenlijk wel dat bij het huidige prestatieniveau het helemaal 'schoon' rijden nauwelijks meer mogelijk is.
Dopinggebruik ontkennen is dom, want voldongen feiten uit het verleden zullen dat direct loochenstraffen. Voor het tijdperk van de dopingcontroles is volop geëxperimenteerd met stimulantia en amfetaminen. De dood van Tommy Simpson op de Mont Ventoux in 1967 is men nog niet vergeten! Nu nog bestaat er in de wielerwereld een onbegrensd vertrouwen in hoge doses vitaminen en mineralen.
Kort samengevat komen de huidige inzichten hierop neer:
De op de officiële dopinglijsten (UCI) voorkomende stoffen zijn verboden en mogen dus, zeker tijdens wedstrijden, niet worden gebruikt. Een uitzondering hierop mag worden gemaakt voor bepaalde therapeutische toedieningsvormen van corticosteroïden (bijv. in de vorm van zalf of spray), mits met attest van de behandelende arts. Overigens zijn maar enkele stoffen van de dopinglijst werkelijk prestatieverhogend: cafeïne, testosteron en zijn synthetische afgeleiden, anabole steroïden en erytropoëtine.

De strijd om het moeilijk aantoonbare gebruik van het bloedaanmaak-stimulerende erytropoëtine (EPO) lijkt voorlopig beslist. Door het invoeren van een bovenwaarde van de hematocriet (maat voor de hoeveelheid rode bloedcellen) van 50 procent, wordt onder het mom van gezondheidsbescherming van de coureur een dopingcontrole verricht zonder de verboden stof te hoeven aantonen.
Overigens is het nog maar helemaal de vraag of het kunstmatig opvoeren van het rode-bloedcellengehalte werkelijk zinvol is. Het aantal rode bloedcellen zal toenemen en daarmee ook de viscositeit (traagvloeibaarheid) van het bloed.
Het optimale zuurstoftransport behoeft daardoor niet noodzakelijkerwijze in gunstige zin te veranderen.

Terug naar onderwerpen

 

 


Heeft u vragen of opmerkingen over deze site? Mail ons: info@sportzorg.nl
SitemapStuur deze pagina naar een vriend   Print deze pagina
 
header_left Zoeker header_right

Helaas, u heeft de nieuwste flashplayer nodig om deze website te kunnen bezoeken. U kunt de player hier downloaden.


header_left Vragenlijst header_right

Ticker check
header_left Nieuwsbrief header_right

Ontvang onze gratis nieuwsbrief
Aanmelden voor de Sportzorg nieuwsbrief