Inleiding
Sport kan steeds meer beschouwd worden als een belangrijke vorm van vrije tijds besteding. Een voordeel hierbij is dat het op iedere leeftijd en op zeer diverse niveaus beoefend kan worden. In deze hoedanigheid kan sportbeoefening dan ook beschouwd worden als de spiegel van maatschappelijke ontwikkelingen en als inspiratiebron van onze samenleving (Lubbers 1993).
Een duidelijk positief effect van sport en lichamelijke activiteit op de algemene gezondheid komt uit diverse wetenschappelijke studies naar voren. Regelmatige sportieve inspanning kan de lichamelijke maar ook de geestelijke gesteldheid gunstig beïnvloeden; voorbeelden hiervan zijn o.a. hart en vaatziekten, diabetes mellitus (suikerziekte), osteoporose (botontkalking), bepaalde vormen van kanker en depressie (Mosted et al 1996; NOC*NSF 1995). De keerzijde van sport wordt in de media echter frequent belicht aan de hand van sportblessures. De laatste jaren is er dan ook een stijging van het aantal sportblessures waar te nemen. Recent wetenschappelijk onderzoek toonde ongeveer 3,6 miljoen sportblessures aan, waarvan er 1,4 miljoen medisch werden behandeld. De laatste jaren zien we het aantal sportblessures stijgen. Maar deze stijging is nog altijd kleiner dan de toename in sportdeelname. Over de periode van het decennium 2000 tot 2009 is per 1000 uren sport het aantal sportblessures gedaald met 22%. Deze daling in de incidentie van sportblessures heeft als resultaat een jaarlijkse besparing van 300 miljoen euro aan medische kosten en kosten door arbeidsverzuim. De kosten van sportblessures bedragen eind 2009 1,3 miljard euro, te verdelen in 360 miljoen directe medische kosten en 960 miljoen arbeidsverzuim (Stichting Consument en Veiligheid, 2010).
Meer erkenning voor de gezondheidswaarde van sport is dus op zijn plaats; hierbij dient echter de negatieve kant niet uit het oog verloren te worden. Specifieke deskundigen zijn vereist om een reële inschatting van het belastingspatroon (de belasting en de belastbaarheid van de sporter) te maken om gezonde personen, maar ook mensen met (chronische) aandoeningen met een verstandig advies te laten sporten. Sportartsen, werkzaam in Sportmedische Instellingen zijn speciaal voor deze taak opgeleid en kunnen de (toekomstige) sporter hierin adviseren en begeleiden.
Historie sportgeneeskunde
Sedert de oprichting van de Vereniging voor Sportgeneeskunde (VSG) in 1965 heeft de sportgeneeskunde een stormachtige ontwikkeling doorgemaakt. Dit specialisme werd in 1986 als zesde tak van de sociale geneeskunde ingeschreven. De vierjarige opleiding tot sportarts (uniek in Europa) voldoet aan de eisen van het College voor Sociale Geneeskunde.
Daarnaast heeft de Universiteit Utrecht in 1988 dr. W.L. Mosterd als eerste hoogleraar klinische sportgeneeskunde benoemd. Op dit moment zijn er 40 geregistreerde sportartsen werkzaam en zijn er 30 sportartsen in opleiding.
Het vak sportgeneeskunde heeft zich in de afgelopen decennia tot een horizontaal specialisme ontwikkeld, hetwelk in enige mate gelijkenis vertoont met de revalidatie geneeskunde gezien het multidisciplinaire karakter ervan. Deelspecialismen zoals cardiologie, orthopaedie en fysiologie spelen hierin van oudsher een belangrijke rol.
Een veelgehanteerde definitie van sportgeneeskunde luidt als volgt: sportgeneeskunde is de wetenschap, die zich bezig houdt met alle medische aspecten van de sportbeoefening, zowel van basaal wetenschappelijke aard, als van preventieve en curatieve aard (Jongbloed en Jongh 1955). Het houdings en bewegingsapparaat van de bewegende mens, maar ook inspannings gerelateerde klachten vormen een kernfunctie hierin. De veel gelegde associatie met de topsport geeft een onvolledig beeld van de werkzaamheden binnen de sportgeneeskunde. Veeleer valt binnen de grotere groep recreatieve en competitie sporters op regionaal niveau een grotere gezondheidswinst te bewerkstelligen door goede preventieve en curatieve advisering. De door sportbeoefening ontstane niet-acute letsels (overbelastings en weke delen letsels) vragen om een specifieke deskundigheid, die door de sportarts geleverd wordt; hierbij is geen substitutie mogelijk door een ander specialisme. In het rapport "kiezen en delen" wordt gesteld niet-substitueerbare zorg in het toekomstig basispakket op te nemen (Dunning 1991).
Op meer dan vijftig plaatsen in Nederland zijn al geruime tijd Sportmedische Adviescentra (SMA's) werkzaam, die veelal extramuraal werken. Het gebrek aan intercollegiale steun van klinisch werkzame specialisten en een mindere bereikbaarheid zijn vaak redenen dat relatief weinig mensen gebruik maken van deze centra. Daarnaast zijn op diverse plaatsen op dit moment ziekenhuizen reeds actief op het gebied van sportgeneeskundige zorg. Voorbeelden hiervan zijn het Antoniushove ziekenhuis te Leidschendam, het Canisius Wilhelmina ziekenhuis te Nijmegen, het Sophia ziekenhuis te Zwolle en het Academisch Ziekenhuis Utrecht. Ook ziektenkosten verzekeraars onderkennen steeds meer het belang van een goed georganiseerde sportgezondheids zorg. Meerdere van hen hebben dit reeds in hun zorg pakketten opgenomen.
Doelgroepen sportgeneeskunde
Zoals in de inleiding gesteld wordt de bewegende mens met klachten van het bewegingsapparaat of met inspannings gerelateerde klachten gezien als potentiële afnemer van zorg.
Geenszins zal de sportgeneeskunde zich louter bezig gaan houden met de topsporter in de regio. M.b.t. deze doelgroep zal echter contact worden onderhouden met het reeds functionerende Olympisch Steunpunten. Beginnende sporters, alsmede recreatieve en competitieve sporters van regionaal of (sub) top niveau kunnen gebruik maken van de aangeboden zorg. Doch ook niet sporters met klachten van het bewegings apparaat of inspanningsgebonden klachten kunnen een beroep doen op deze vorm van medische zorgverlening. Groepsgerichte activiteiten op het niveau van verenigingen, clubs, sportbonden en sportevenementen kunnen daarnaast ook deel uitmaken van het zorgpakket van de sportgeneeskunde.
Multidisciplinaire contacten
In het kader van een breed zorg pakket zullen diverse specialismen bij de sportmedische zorgverlening betrokken worden zoals orthopaedie, algemene chirurgie, cardiologie, interne geneeskunde en fysiotherapie alsmede de afdelingen röntgenologie, laboratorium en apotheek. Dit door gelegenheid te scheppen tot (in)formeel contact, beleids- en casuïstiek bespreking.
Werkzaamheden sportarts
De sportarts verricht patientgerichte werkzaamheden zoals:
- het houden van een poliklinisch en telefonisch spreekuur bij blessures, alsmede de niet operatieve behandeling, revalidatie, reïntegratie en recidief preventie van sportmedische problemen.
- het verzorgen van periodieke belastbaarheids onderzoeken cq conditiebepaling.
- het verzorgen van second-opinions m.b.t. arbeids en verzekeringstechnische aangelegenheden bij langdurig bestaande klachten cq blessures.
- het verzorgen van risicoprofiel screening (check-up).
- het geven van voorlichting aangaande: (sport)voeding, hygiëne, trainingstechnische aangelegenheden, sportbeoefening bij gehandicapten en
chronisch zieken. - nader overleg uitvoeren van (sport) specifieke veldtesten.
De sportarts geeft vorm aan het beleid ten aanzien van de sportgeneeskundige zorg en bevorderen van de kwaliteit van de zorgverlening o.a. door het ontwikkelen van protocollen en het geven van voorlichting en bijscholing.
Werkwijze sportarts
De sportarts houdt een eigen spreekuur en volgt zijn "eigen sporters cq patienten". In het kader van curatieve zorg zal hij daar waar nodig gebruik maken van de reeds aanwezige faciliteiten zoals de röntgen afdeling en het laboratorium en zo nodig in contact treden met de reeds eerder vermelde klinische specialismen. In het kader van screenings cq preventieve zorg zal hij gebruik maken van diverse (sportspecifieke) functieproeven zoals longfunctie, electrocardiografie in rust en tijdens belasting, belastingsonderzoek m.b.v. fiets-, loop- en roeiergometers en mobiele hartfrequentie meetapparatuur. M.b.t. het gebruik maken van verschillende functieproeven zal coördinatie en afstemming met o.a. cardiologen en longartsen plaats vinden.
Functieprofiel sportarts
De sportarts is primair het aanspreekpunt van de sportgeneeskunde en maakt deel uit van een team van deskundigen dat betrokken kan zijn bij de behandeling en begeleiding van (beginnende) sporters of patienten met klachten van het houdings of bewegingsapparaat.
Het komen tot een zo optimaal mogelijke continuïteit en kwaliteit van sportgeneeskundige zorg voor bovenvermeld doelgroep. De aard van de functie is adviserend, behandelend, begeleidend en educatief. De sportarts voert zijn taak zelfstandig uit.
De sportarts
1.is belast met de preventieve en curatieve aspecten van de sportgeneeskundige zorg, die verleend wordt aan de poliklinische vrager van sportmedische zorg. Specifieke taken hierin zijn:
a] het ontwikkelen van een uniform beleid inzake sportgeneeskundige zorg.
b] het waarborgen van continuïteit in de zorg
c] het onderhouden van contacten met de verschillende samenwerkende disciplines
d] consultatie functie voor andere hulpverleners.
2.kan medewerking verlenen aan patientgericht onderzoek, verzamelt en verstrekt hiertoe informatie en helpt bij de opzet en uitvoering hiervan.
3.schrijft en publiceert artikelen in vakbladen, patientenbladen of sportorganen.
1.onderhoudt contacten met collegae uit andere instellingen in het kader van afstemming van nationaal geldende sportgeneeskundige beleidslijnen.
2.onderhoudt contacten met landelijke en regionale sportmedische organisaties en sportorganisaties in het algemeen.
3.houdt zich op de hoogte van de ontwikkelingen op het gebied van de sportgeneeskundige zorg d.m.v.:
a] het bijwonen van congressen en symposia in binnen- en buitenland.
b] het volgen van nascholings cursussen.
c] het lezen van vakliteratuur.
Een in het register van de Sociale Geneeskunde tak sportgeneeskunde ingeschreven arts.




