Op basis van de lengte en het lichaamsgewicht valt te bepalen of er sprake is van een goede gewichtsverdeling. Met name de Queteletindex (afgekort QI), ook wel body-mass index (BMI) (normaal tussen de 20 en 26) genoemd is een redelijk goede maat hiervoor. De index bepaal je zelf door het lichaamsgewicht (in kilogram) te delen door de lichaamslengte (in meters) maal de lichaamslengte (in meters) te berekenen. Een betere maat is het vetpercentage: dit percentage kun je bepalen m.b.v. de huidplooidiktemeter. De som van het aantal plooien geeft het percentage weer. Dit loopt bij sommigen van 10 tot wel 35% van het totaal lichaamsgewicht. Een goede streefwaarde is ongeveer 15-17,5 % voor mannen en 25-27,5 % voor vrouwen.
De totale vetmassa valt te berekenen uit het vetpercentage en het lichaamsgewicht. Op deze manier valt te verklaren dat twee sporters met hetzelfde gewicht en een verschillend vetpercentage verschillend in kracht zullen zijn. Reken maar na! Degene met het hoogste vetpercentage (en dus ook de hoogste vetmassa) heeft een kleinere bruikbare massa (=spieren). De vetmassa is slechts ballast.
Natuurlijk hoeven we nu niet massaal op dieet te gaan, maar enige aandacht voor een regelmatig voedingspatroon met minder vet zal al snel kunnen leiden tot een betere verhouding van het lichaamsgewicht. Hierbij hoef je dus niet perse af te vallen; als het vetpercentage daalt bij een gelijk gewicht is dit ook al een goede vooruitgang ! Als laatste moet nog gezegd worden dat in alcohol (1 bier = 4 bruine boterhammen) veel extra energie zit. Dit teveel aan energie zal opgeslagen worden als vet (bierbuik). Ook het enigszins minderen van alcoholgebruik zal een gunstige invloed hebben op het gewicht.




