- Inleiding
- Onderdelen van de gymnastieksport
- Gymnastiek als wedstrijdsport
- Motorische basiseigenschappen
- Lichaamsbouw
- Medische aspecten van gymnastiek en turnen
- Seksuele intimidatie
- Blessurepreventie
- Blessures bij gymnastiek en turnen
Inleiding
Gymnastiek en turnen zijn twee verzamelbegrippen voor vormen van sportbeoefening die van oudsher tot doel hebben het lichaam op enigerlei wijze te oefenen.
Het woord gymnastiek is afgeleid van het Griekse woord gymnastikos dat letterlijk betekent 'lichamelijk geoefend'. Het woord turnen is van oorsprong afkomstig uit het Latijn en afgeleid van het woord tornare, dat 'draaien' betekent.
Uit opgravingen blijkt dat het uitvoeren van lichaamsoefeningen, waaronder lopen, springen, worstelen, balspelen, maar ook acrobatiek en lenigheidsoefeningen, bij vele volken uit de oudheid deel uitmaakte van het opvoedingsprogramma.
Onderdelen van de gymnastieksport
De afgelopen decennia is een duidelijke splitsing ontstaan tussen enerzijds de gymnastiek als recreatiesport en anderzijds de gymnastiek (het turnen) als wedstrijd- en topsport.
Gymnastiek (in de letterlijke betekenis van het woord: lichaamsoefening), kent diverse verschijningsvormen. De meest bekende vorm is die waarbij oefeningen worden uitgevoerd door het lichaam met gebruikmaking van een gymnastiektoestel, zoals een rekstok of een spring kast.
Naast het toestelgymmen kent de recreatiegymnastiek nog andere onderdelen, zoals ritmische gymnastiek, jazzgymnastiek en aerobics. Bij de ritmische gymnastiek worden lichaamsoefeningen uitgevoerd op muziek, waarbij gebruik kan worden gemaakt van handgereedschappen, zoals ballen, hoepels en knotsen.
Uit de ritmische gymnastiek heeft zich een aparte wedstrijdvorm ontwikkeld, ritmische sportgymnastiek (RSG). Bij jazzgymnastiek worden ook oefeningen uitgevoerd op muziek, echter in principe zonder gebruikmaking van handgereedschappen. Coördinatie, muzikaliteit en show kenmerken de jazzgymnastiek Aerobics is een onderdeel van lichamelijke oefening dat van oudsher aangeboden werd door fitnesscentra. Met de ontwikkeling van aerobics tot volwaardige wedstrijdsport zijn er steeds meer gymnastiekverenigingen die aerobicslessen verzorgen. Tijdens een recreatieve aerobicsles worden op muziek oefeningen uitgevoerd die tot doel hebben het verbeteren van met name uithoudingsvermogen en spierkracht.
Binnen de gymnastiek als recreatiesport is een duidelijke tendens waarneembaar naar het ontwikkelen van gymnastiekvormen voor speciale doelgroepen. Met name gymnastiek voor ouderen, kleutergymnastiek, gymnastiek voor ouder en kind en gymnastiek voor mensen met een handicap of chronische ziekte staan erg in de belangstelling.
Naast het ontwikkelen van gymnastiekactiviteiten voor speciale doelgroepen worden ook nog steeds nieuwe gymnastiekvormen ontwikkeld. Acrogymnastiek is een voorbeeld van een relatief nieuwe tak van gymnastiek waarbij het uitvoeren van acrobatische elementen uit de gymnastiek tot doel verheven is. Veel gymnastiekvormen lenen zich uitstekend voor demonstraties.
Gymnastiek als wedstrijdsport
In Nederland worden vijf disciplines van de gymnastiek op internationaal niveau in wedstrijdverband beoefend:
- toestelturnen voor vrouwen en mannen
- trampolinespringen
- ritmische sportgymnastiek
- sports aerobics
- acrogymnastiek.
Tijdens een wedstrijd bij het vrouwenturnen wordt geturnd op vier onderdelen: sprong, brug, balk en vloer. Bij het onderdeel sprong wordt een aanloop van ongeveer twintig meter gevolgd door een afzet vanaf een springplank, waarna een sprong over een (sprong)paard dat in de breedte is opgesteld (1,20 m hoog) wordt uitgevoerd. De brugoefening wordt geturnd aan een span brug met voorgespannen houten of glasfiber leggers, die op een hoogte van respectievelijk 1,55 m en 2,35 m van de grond zijn bevestigd aan zijsteunen. Voor de balkoefening wordt bij wedstrijden gebruikgemaakt van een vijf meter lange balk, die op een hoogte van 1,20 m boven de grond staat. De balk is slechts 10 cm breed.
De vloeroefening wordt geturnd op een speciale verende mat van 12 bij 12 meter. Vrouwen turnen hun vloeroefening, in tegenstelling tot de mannen, op muziek. De oefeningen bij het vrouwenturnen worden beoordeeld op inhoud (moeilijkheidsgraad van de geturnde elementen), uitvoering en virtuositeit.
Bij het mannenturnen bestaat een wedstrijd uit zes onderdelen: ringen, brug, paardsprong, paardvoltige, rek en vloer. Het ringenstel dat tijdens een wedstrijd gebruikt wordt, is op een hoogte van ongeveer 5,5 m aan staalkabels bevestigd, de ringen zelf hangen op een hoogte van 2,5 m boven de grond. Tijdens de ringoefening worden door het lichaam zwaaien evenwichtselementen geturnd, waarbij de ringen zoveel mogelijk stil moeten blijven hangen. De brug heeft twee leggers met een lengte van 3,5 m die op gelijke hoogte 1,75 m van de grond gesteld worden. Bij de paardsprong volgt net als bij het vrouwenturnen na een aanloop van 20 m een afzet van een sprongplank en een sprong over het paard. Het paard staat op een hoogte van 1,35 m en is niet in de breedte, maar in de lengte op de aanlooprichting opgesteld. Bij het paard-voltigeren wordt gebruikgemaakt van een paard waarop twee beugels zijn aangebracht. Op deze beugels wordt met de handen gesteund, met de benen worden vervolgens zwaaioefeningen (cirkelvormig en parallel) uitgevoerd. De rekstok is 2,40 m breed en is op een hoogte van 2,70 m boven de grond bevestigd. De vloeroefening wordt evenals bij de vrouwen geturnd op een verende mat van 12 bij 12 meter. Ook voor het mannenturnen geldt dat de oefeningen door een jury worden beoordeeld op inhoud, uitvoering en virtuositeit. Originaliteit, het uitvoeren van elementen die nog nooit eerder geturnd zijn, wordt beloond met bonuspunten.
Bij het trampolinespringen worden series sprongen uitgevoerd op een landingsvlak van 4,3 m bij 2,1 m, dat met veren aan een frame is bevestigd. De trampolinesport wordt zowel door mannen als vrouwen beoefend. Een oefening bestaat uit een serie van tien verschillende sprongen die achter elkaar worden uitgevoerd. Bij een trampolinewedstrijd worden twee oefeningen van tien sprongen uitgevoerd. De eerste serie bestaat uit tien verplichte sprongen, de tweede serie bestaat uit tien keuzesprongen. De verplichte oefening wordt beoordeeld op uitvoering, de keuze-oefening tevens op moeilijkheidsgraad van de sprongen.
Naast individuele oefeningen kent de trampolinesport ook het synchroonspringen. Bij het synchroonspringen voeren twee springers, ieder op een eigen trampoline, dezelfde oefening uit. Naast moeilijkheid en uitvoering wordt hierbij ook de synchroniteit beoordeeld. Europese en wereldkampioenschappen trampolinespringen worden georganiseerd onder auspiciën van de Internationale Trampolinefederatie (FIT).
In tegenstelling tot de turn- en trampolinesport, die zowel door mannen als vrouwen wordt beoefend, wordt RSG uitsluitend door vrouwen beoefend. Bij RSG worden vloeroefeningen uitgevoerd op muziek, waarbij gebruikgemaakt wordt van een handgereedschap. De vloer waarop de oefeningen geturnd worden heeft een oppervlak van 13 bij 13 meter. Deze vloer heeft geen speciale verende eigenschappen. De handgereedschappen die bij RSG worden gebruikt zijn bal, touw, hoepel, knots en lint.
Naast individuele wedstrijden worden bij RSG ook groepswedstrijden gehouden, waarbij een oefening door vijf turnsters tegelijk wordt uitgevoerd. RSG-oefeningen worden beoordeeld op inhoud (elementen met handgereedschap en lichaamselementen), uitvoering en artisticiteit. De lichaamselementen die bij de RSG-sport worden geturnd verschillen van de elementen die bij de vloeroefening bij het vrouwenturnen worden uitgevoerd. Bij RSG ligt de nadruk sterk op het uitvoeren van lichaamselementen waarbij een hoge mate van lenigheid wordt getoond, zoals sprongen en balanshoudingen met een grote amplitude van de benen. Acrobatische elementen die bij de vloeroefening van het toestelturnen een belangrijke plaats innemen, zoals flick-flacks en salto's, mogen bij RSG niet worden uitgevoerd.
In 1988 (Olympische Spelen Seoul) was RSG voor het eerst een officiële olympische sport, nadat in 1984 tijdens de Olympische Spelen voor de eerste keer demonstratiewedstrijden waren gehouden.
Sports aerobics is de jongste tak van sport waarin door de FIG internationale wedstrijden worden georganiseerd. Op een verende houten vloer worden oefeningen op muziek geturnd zonder gebruikmaking van toestellen of handgereedschappen. Bij de sports-aerobicsoefening ligt de nadruk op het met veel flair en show tonen van lichaamselementen die de motorische basiseigenschappen vertegenwoordigen (uithoudingsvermogen, kracht, lenigheid, snelheid en coördinatie). Sports aerobics is een sport die zowel door mannen als vrouwen wordt beoefend. Internationale wedstrijden worden georganiseerd voor individuele gymnasten, mixed pairs en trio's.
Ook bij acrogymnastiek worden oefeningen op muziek uitgevoerd, waarbij het tonen van acrobatische elementen doel van de oefening is. Acrogymnastiek wordt door mannen en vrouwen, in paren of in groepsverband beoefend.
Bij wedstrijden worden een balansoefening, een tempo-oefening en een oefening waarin beide onderdelen gecombineerd zijn geturnd. In 1996 werd voor de eerste keer een wereldkampioenschap acrogymnastiek georganiseerd onder auspiciën van de International Federation of Sports Acrobatics.
Motorische basiseigenschappen
De motorische vaardigheden die van belang zijn voor het beoefenen van de zes wedstrijddisciplines in de gymnastieksport verschillen enigszins per discipline. Voor alle disciplines geldt evenwel dat techniek de basis vormt voor het bewegen. Vertaling van techniek naar de motorische basiseigenschappen betekent dat het op jonge leeftijd t/m 10 jaar ontwikkelen van coördinative vaardigheden voor alle disciplines van groot belang is om op niveau te kunnen presteren. Bij het toestelturnen en bij trampolinespringen en acrogymnastiek spelen naast coördinatie tevens kracht, snelheid en lenigheid een belangrijke rol. om de grondvormen van het turnen te leren beheersen. De grondvormen van het turnen van waaruit moeilijker elementen kunnen worden aangeleerd zijn: draaien om de breedteas (rollen en salto's), zwaaien (rek, brug, ringen), draaien rond legger van brug en rekstok, handstand, kippen (vanuit een hangende positie in een steunpositie komen) en steunspringen (afzet van de voeten wordt gevolgd door afzet van de handen). Bij RSG staat in vergelijking met toestelturnen, trampolinespringen en acrogym (extreme) lenigheid veel meer op de voorgrond.
Lichaamsbouw
De ideale lichaamsbouw van gymnasten verschilt per discipline. In het algemeen zijn toptoestelturn(st)ers klein, hebben zij minder vet en is hun spierontwikkeling beter in vergelijking met die van leeftijdgenoten. Vetpercentages van topturnsters variëren tussen 13-17%, terwijl bij topturners vetpercentages tussen 9-13% worden gemeten. Bij het maken van rotaties om lengte- en breedte-as van het lichaam zijn kleinere turn(st)ers in het voordeel.
De lichaamslengte van top-RSG-turnsters is in vergelijking met toestelturnsters groter. Het lichaamszwaartepunt ligt wat hoger, doordat de benen naar verhouding langer zijn. Het vetpercentage van top-RSG-turnsters is vergelijkbaar met toptoestelturnsters, terwijl de spierontwikkeling veel minder opvallend is. De slanke indruk die de top-RSG-turnsters maken wordt door hen vaak gekoesterd, omdat esthetiek bij de beoordeling van hun oefeningen door de jury van oudsher zwaar weegt.
Lichaamsbouw lijkt bij trampolinespringen van ondergeschikt belang aan techniek en evenwichtsgevoel. Bij acrogymnastiek bestaat vaak een duidelijke tweedeling in lichaamsbouw. De gymnast(e) die op de wedstrijdvloer staat en een partner moet tillen is in het algemeen stevig gebouwd, terwijl de gymnast(e) die getild wordt in het algemeen klein en licht is (een te groot verschil in lichaamslengte tussen de partners leidt overigens tot puntenaftrek). De gespierde lichaamsbouw is in het algemeen het meest opvallende kenmerk van de sportsaerobicsbeoefenaren.
Medische aspecten van gymnastiek en turnen
Gezonde, gevarieerde en uitgebalanceerde voeding is een belangrijke basisvoorwaarde om op topniveau prestaties te kunnen leveren. Voor snelkrachtsporters zoals turn(st)ers voldoen in principe de richtlijnen volgens de voedingswijzer. In de praktijk blijkt echter dat de voeding van met name RSG- en toestelturnsters onvoldoende uitgebalanceerd is. Vele van deze meisjes, vaak nog in de groeiperiode, zijn voortdurend bezig met 'lijnen'.
Angst voor toename van het lichaamsgewicht en daardoor technisch minder goede prestaties (toestelturnsters) of een minder goede beoordeling door de jury (RSG-turnsters) speelt hierbij meestal een rol. Doordat de voeding vaak energiebeperkt is, bestaat bij deze gymnasten grote kans op het ontstaan van tekorten aan vitaminen (met name verschillende vitaminen B), calcium en ijzer. Grotere vatbaarheid voor ziekte, vermindering van de botdichtheid, bloedarmoede met als gevolg verminderd prestatievermogen, kunnen veroorzaakt worden door tekorten aan essentiële voedingsstoffen. Uitleg en advies over verantwoorde voeding door een sportditiëst is voor deze categorie sporters eigenlijk een vereiste.
De angst om in gewicht toe te nemen die bij veel topturnsters aanwezig is, neemt een enkele keer zulke vormen aan dat gesproken kan worden van een eetstoornis in engere zin. De meest bekende eetstoornis is anorexia nervosa. Anorexia is in feite een misleidende term, want letterlijk betekent dit gebrek aan eetlust. Bij patiënten met anorexia is echter niet primair sprake van eetlustgebrek, maar eerder van het onderdrukken van eetlust en hongergevoel. Turnsters met anorexia onderscheiden zich van turnsters met een normaal slankheidsideaal doordat zij hun hele leven in het teken stellen van beheersing van het lichaamsgewicht, om maar zo mager mogelijk te zijn. Behalve de extreme magerzucht, die een enkele keer levensbedreigend kan zijn, speelt een gestoorde lichaamsbeleving ook een belangrijke rol in het onderhouden van het vreemde eetgedrag. Ondanks het feit dat het lichaamsgewicht heel laag is, vinden deze patiënten zichzelf vaak nog erg dik. Anorexia-patiënten zijn vaak vindingrijk in hun methoden om af te vallen. Naast het echte hongeren' proberen zij calorieën kwijt te raken door het opwekken van braken, het gebruiken van laxantia of door overmatige lichamelijke activiteit. Anorexia nervosa kan een enkele keer overgaan in boulimia nervosa.
Boulimia nervosa wordt gekenmerkt door het optreden van vreetbuien, die vaak achteraf gevolgd worden door het opwekken van braken of door laxantiagebruik. Angst voor het toenemen van het lichaamsgewicht speelt ook bij boulimia een rol. Over het ontstaansmechanisme van eetstoornissen bestaat een groot aantal hypothesen. Vermoedelijk maakt een complex van psychische, sociale en lichamelijke factoren dat iemand een eetstoornis ontwikkelt. Het beoefenen van de turnsport moet in dit licht worden gezien als slechts een van de vele factoren die ten grondslag kunnen liggen aan een eetstoornis. Wel is het zo dat eetstoornissen in de topturnsetting lang onopgemerkt kunnen blijven, doordat een laag gewicht in eerste instantie door trainers vaak juist positief wordt gewaardeerd.
Behandeling van anorexia en boulimia dient plaats te vinden door gespecialiseerde hulpverleners. Het doel van de behandeling is tweeledig. In de eerste fase van de behandeling zal herstel van een gezond lichaamsgewicht op de voorgrond staan. Nadien zal de behandeling zich toespitsen op herstel van de normale lichaamsbeleving. Deze behandeling, meestal in de vorm van gedrags- en/of psychotherapie, is intensief en vaak langdurig. De prognose van anorexia nervosa is matig.
Er bestaat een grote spreiding in de gemiddelde leeftijd waarop meisjes voor het eerst ongesteld worden. Het is bekend dat de eerste menstruatie (menarche) bij topturnsters meestal later optreedt, vaak pas na het vijftiende jaar. De menarche wordt bij topturnsters vaak gevolgd door een onregelmatige cyclus. Veel topturnsters menstrueren maar enkele keren per jaar (oligomenorrhoe). De oorzaak hiervan is vermoedelijk gelegen in een aantal factoren, waaronder caloriearme voeding en een lage hoeveelheid lichaamsvet en hoge fysieke en psychologische stress. Wanneer de menstruatie na het beëindigen van de turncarriére en normaliseren van de eetgewoonten uitblijft, of wanneer sprake is van oligomenorrhoe, is nader onderzoek aangewezen. In het algemeen lijkt de menstruatiecyclus zich volledig te herstellen bij ex-turnsters. Vanuit de atletiek is bekend dat duurloopsters die niet of nauwelijks menstrueren grote kans hebben op het vroegtijdig ontstaan van botontkalking (osteoporose) en dientengevolge een verhoogde kans hebben op (stress)fracturen. De laatste jaren is bij turnsters onderzoek gedaan naar botontkalking. In vergelijking met turnsters die normaal menstrueren, hebben turnsters die niet of nauwelijks menstrueren een lagere botdichtheid van de lendenwervelkolom en de dijbeenhals. In vergelijking met niet-sporters van dezelfde leeftijd hebben deze turnsters echter toch nog een hogere botdichtheid. Mogelijk doet de mechanische piekbelasting die op de botten inwerkt de botdichtheid van turnsters toenemen.
In de praktijk blijken er maar weinig turnsters te zijn die veel last hebben van hun menstruatie in de zin van pijn of overvloedig bloedverlies. Wanneer de sportprestaties duidelijk lijden onder deze klachten, kan worden overwogen een anticonceptiepil te gebruiken. De cyclus wordt hiermee regelbaar en premenstruele klachten, pijn en overvloedig bloedverlies tijdens de menstruatie worden meestal minder. Nadeel van deze maatregel is dat de lichaamssamenstelling kan veranderen. Vaak nemen de borstomvang en het vetpercentage wat toe, hetgeen door de turnster vaak als onwenselijk wordt ervaren. Het is van belang om niet met een anticonceptiepil te starten in de aanloopperiode naar een belangrijke wedstrijd.
De geringere lichaamslengte van de internationale topturnsters ten opzichte van leeftijdgenoten die niet turnen, is voor een belangrijk deel het gevolg van selectienormen. Dit blijkt uit studies waarin de lichaamslengte van turnsters, zwemsters en meisjes die niet aan sport doen wordt vergeleken met die van hun ouders. Er blijkt een duidelijke correlatie te bestaan tussen de uiteindelijke lengte die een topturnster bereikt en de lengte van haar ouders.
De lengtegroei blijkt in enige mate geremd te worden door intensieve turntraining (> 18 uur per week), die reeds voor de puberteit is aangevangen en die tijdens de puberteit gecontinueerd wordt. De oorzaak van groeiremming bij topturnsters is vermoedelijk gelegen in een combinatie van factoren. Verlaat optreden van de puberteit, energiebeperkte voeding, fysieke en psychologische stress lijken hierbij een rol te spelen. Herhaalde piekbelasting op de polsen kan ook lokaal aanleiding geven tot groei remming ten gevolge van het voortijdig sluiten van de groeischijf van het spaakbeen.
Seksuele intimidatie wordt gedefinieerd als elke vorm van seksueel gedrag of seksuele toenadering in verbale, non-verbale of fysieke zin, opzettelijk of onopzettelijk, die door de persoon die deze ondergaat als ongewenst of gedwongen wordt ervaren. Seksuele intimidatie in de sport ontstaat met name in situaties waarin sprake is van een machtsverschil (in leeftijd en in functie). Binnen de turnsport, waarbij lichamelijk contact tussen trainer en sporter onvermijdelijk is en waarbij vaak grote verschillen in machtsverhoudingen tussen trainer en sporter bestaan, is het voorkomen van seksuele intimidatie derhalve denkbaar. Als eerste stap in de preventie van seksuele intimidatie in de turnsport heeft de KNGB in 1997 gedragsregels opgesteld naar het voorbeeld van de gedragsregels seksuele intimidatie van NOC*NSF.
Blessurepreventie
Hoewel de aard van de blessures enigszins verschilt per turndiscipline, kunnen algemene richtlijnen worden gehanteerd door alle disciplines.
Een belangrijk deel van de op blessurepreventie gerichte maatregelen bij gymnastiek en turnen betreffen het vergroten van de veiligheid tijdens de les. Gymnasten moeten strakke turnkleding en turnschoeisel (voldoende stroef) dragen en er moet door de leiding op worden toegezien dat zij hun sieraden (met name ook oorbellen) afdoen en geen kauwgom of snoep eten tijdens de training. De gymnastiekzaal moet goed verlicht zijn, schoon en niet te koud (18-20 C). Toestellen moeten op een veilige plaats in de zaal opgesteld worden, de vergrendeling moet in orde zijn. Matten onder de toestellen moeten voldoende in aantal zijn en zonder kieren aangesloten liggen. Voorts moeten deze matten voldoende schokdempende eigenschappen bezitten om afsprongen te kunnen opvangen, maar mogen zij niet te zacht zijn, om 'zwikbewegingen' in knieën of enkels te voorkomen. De leiding van de les moet erop toezien dat voldoende ervaren vangers bij de toestellen staan die snel kunnen ingrijpen bij het aanleren van nieuwe elementen of als een element dreigt te mislukken. Ook tijdens wedstrijden moet het een trainer toegestaan zijn bij een toestel te staan om een turn(st)er te vangen wanneer een mislukking dreigt.
Naast aandacht voor veilige opstelling van de toestellen tijdens de les en het verwijderen van onnodige obstakels uit de zaal (zoals sporttassen), verdient het aanbeveling om op vaste tijden alle toestellen en matten te inspecteren. Met name moet gelet worden op tekenen van slijtage, zoals splinters aan brug leggers, afgesleten bovenbekleding van springkast en paard en onderkanten van matten. Ook bevestigingspunten van toestellen aan plafond, muur en vloer moeten volgens schema worden geïnspecteerd. Bij inspectie van het aanwezige materiaal moet ten slotte ook de EHBO-koffer, die in iedere gymnastiekaccommodatie aanwezig dient te zijn, op inhoud en eventuele verloopdata worden gecontroleerd. De handleiding 'blessurepreventie en veiligheid binnen de gymnastiek- en turnvereniging' bevat een checklist aan de hand waarvan veiligheid van de gymnastiekaccommodatie, toestellen en materialen systematisch kan worden beoordeeld.
Magnesium moet in de turnzaal in voldoende mate aanwezig zijn ter voorkoming van het afglijden van de handen van brugleggers, ringen of rekstok en ter voorkoming van blaarvorming. Eveneens ter voorkoming van blaarvorming moet. bij intensievere training gymnasten worden geadviseerd om beschermleertjes om de handen te dragen. Ter ondersteuning van de polsen kan tevens een polsbrace gedragen worden.
Op steeds meer plaatsen in Nederland verrijzen turnhallen, waarin naast de bekende turntoestellen ook veiligheidshulpmiddelen zijn aangebracht, zoals valkuilen en veiligheidsgordels. Een turn(st)er kan gebruik maken van een valkuil bij het aanleren van nieuwe elementen zoals afsprongen en vluchtelementen (brug en rek). Veiligheidsgordels worden zowel bij toestelturnen als bij trampolinespringen gebruikt voor het aanleren van moeilijke sprongen, waarbij een of meer rotaties om lengte- en/of breedte-as van het lichaam worden gemaakt.
De meeste disciplines binnen de gymnastiek- en turnsport vereisen al vanaf jonge leeftijd intensieve training om uiteindelijk op (inter)nationaal niveau aan wedstrijden te kunnen meedoen. Trainingsfrequenties van vijf tot zes keer per week, met vijfentwintig tot dertig trainingsuren per week zijn voor vele turntalenten geen uitzondering. Intensivering van de training vindt vaak plaats in een periode waarin het lichaam relatief kwetsbaar is ten gevolge van de groeispurt.
Een goede trainingsopbouw, zowel per training als per seizoen, is van belang in het kader van blessurepreventie. Het is gebruikelijk dat voorafgaand aan de techniektraining (waarbij gebruik wordt gemaakt van de toestellen, trampoline of handgereedschappen bij RSG) een warming-up wordt gedaan. In de warming-up is plaats voor coördinatie-, kracht- en lenigheidsoefeningen en lichaamsscholing door middel van ballet.
Het belang van spierversterkende oefeningen en rekoefeningen, afgestemd op de individuele turn(st)er, ter voorkoming van blessures of in de revalidatiefase na een blessure wordt in toenemende mate door trainers onderkend.
Het is in de turnsport nog niet altijd gebruikelijk om de training af te sluiten met een cooling-down. Soms turnen gymnasten tot de laatste minuut van de training door en willen zij juist tegen het einde van de training nog een keer voluit hun oefeningen uitvoeren. Door vermoeidheid en vermindering van het concentratievermogen is de kans op mislukkingen en het ontstaan van blessures aan het einde van de training groter. Een trainer moet de kunst verstaan de intensiteit van de training te doseren en op tijd te stoppen.
Naast de opbouw binnen een training moet ook een opbouw binnen het seizoen worden gerealiseerd aan de hand van een jaarplanning waarop de belangrijke evenementen van het seizoen worden weergegeven.
Vergroting van de trainingsbelasting in een fysiek kwetsbare periode door de snelle lengtegroei kan leiden tot een disbalans tussen belasting en belastbaarheid van het lichaam. Blessures kunnen hiervan uiteindelijk het gevolg zijn. Een sportmedisch onderzoek door een sportarts waarbij speciale aandacht wordt besteed aan vorm en functie van het houdings- en bewegingsapparaat in relatie tot de trainingsbelasting is voor iedere wedstrijdgymnast van belang. Een sportarts kan naar aanleiding van dit onderzoek nuttige adviezen geven ter voorkoming van blessures. De KNGB verplicht gymnasten die deelnemen aan bondstrainingen om jaarlijks een preventief sportmedisch onderzoek te ondergaan op een van de Sportmedische Adviescentra.
Blessures bij gymnastiek en turnen
De enkel is het gewricht dat het meest geblesseerd raakt bij gymnastiek en turnen. Wanneer alleen de blessures worden beschouwd waarvoor medische behandeling wordt gezocht, dan blijken romp, schouder, arm en pols het meest geblesseerd te raken. De aard van de blessures verschilt per turndiscipline en is tevens afhankelijk van het niveau waarop geturnd wordt. Ervaring leert dat wanneer het niveau waarop de turnsport beoefend wordt hoger is, relatief meer overbelastingsblessures optreden en minder acute blessures.
Bij het toestelturnen komen zowel acute blessures (verstuikingen van enkels, knien en polsen ten gevolge van afsprongen en steunelementen) als overbelastingsblessures voor. De meest voorkomende acute blessure is de enkelverstuiking, die vaak het gevolg is van een verkeerde landing. Met name bij landingen waarbij de buitenste voetrand op de rand van de landingsmat of tussen twee landingsmatten in terechtkomt, kunnen ernstige enkelverstuikingen ontstaan.
Een andere oorzaak van het optreden van acute blessures bij turnen is een valpartij waarbij het lichaam in botsing komt met het toestel. Behalve kneuzingen van het bewegingsapparaat kan hierbij ook letsel van het gelaat en het gebit ontstaan. Overbelastingsblessures van met name peesaanhechtingen in schouders, polsen, knie n en enkels zijn vaak het gevolg van intensivering van de training en het veelvuldig herhalen van bewegingen in een periode waarin het lichaam relatief kwetsbaar is ten gevolge van een groeispurt.
Bij trampolinespringen doen zich in het algemeen weinig blessures voor. Het geringere aantal blessures bij trampolinespringen wordt deels verklaard doordat toptrampolinespringers veel minder uren trainen dan toptoestelturn(st)ers. In het verleden is af en toe melding gemaakt van ernstige ongevallen (nekletsel) bij trampolinespringen. Vrijwel altijd betrof het ongevallen die waren ontstaan bij valpartijen op zogenaamde 'springbedden' in speeltuinen. Tijdens het beoefenen van de trampolinesport doen zich, mits deskundig begeleid, zelden ernstige ongevallen voor.
Bij RSG doen zich, behoudens enkelverstuikingen, weinig acute blessures voor.
Veelvoorkomende blessures bij RSG zijn irritaties van peesaanhechtingen, met name van de achillespees, de kniepees en de pezen van de beenaanvoerders (adductoren) in de lies. De extreme achterwaartse buiging van de rug (cambré) die veelvuldig wordt uitgevoerd bij RSG, leidt nogal eens tot lage-rugklachten.
Sports aerobics is een onderdeel van de turnsport waarbij veel gesprongen wordt en waarbij zich relatief veel acute blessures voordoen. Met name enkel- en kniebandletsels komen veelvuldig voor, evenals polsletsels (verstuikingen en breuken) ten gevolge van het landen na een sprong in ligsteun.
De aard van de blessures die bij acrogymnastiek voorkomen lijkt afhankelijk van de taak van de gymnast. Uit ervaring blijkt dat bij de sporters die getild worden overbelastingsblessures voorkomen van polsen en ellebogen ten gevolge van het steunen in handstand. Een enkele keer is melding gemaakt van een elleboogluxatie ten gevolge van een acute overstrekbeweging van de elleboog.
Wanneer de elleboog te ver overstrekt wordt, schiet het lange pijpbeen van de bovenarm (humerus) uit de kom, die gevormd wordt door de ellepijp. Soms ontstaat hierbij een fractuur van de voorzijde van de kom (processus coronoideus) van de ellepijp of van het kopje van het spaakbeen.
Enkele blessures die specifiek bij gymnastiek en turnen kunnen voorkomen, behoeven nadere toelichting.
Rugblessures bij gymnastiek en turnen zijn meestal het gevolg van overbelasting door het veelvuldig herhalen van bewegingen waarbij de rug 'hol' wordt gemaakt, of bij een snelle opeenvolging van bewegingen waarbij de rug afwisselend hol en bol wordt gemaakt (bijvoorbeeld bij een serie flick-flacks). Bij deze bewegingen van de rug treedt met name overbelasting op van het bandapparaat en het spiercorset rond de wervelkolom.
Bij herhaalde overstrekbewegingen die gepaard gaan met een draaimoment (rotatie) van de wervelkolom ontstaat overbelasting van met name de band tussen de bekkenkam en het dwarsuitsteeksel van de vierde en vijfde lendenwervel (ligamentum iliolumbale).
Overbelasting van het ligamentum iliolumbale veroorzaakt pijn onder in de rug, in het algemeen niet uitstralend naar de billen of de benen. De pijn is meestal aan n kant van de rug gelokaliseerd. Tijdelijk verminderen van de pijn-provocerende bewegingen doet de klachten meestal snel afnemen. Ter voorkoming van recidiverende klachten moet aandacht worden besteed aan training van buik-, rug-, bil- en heupspieren ter verbetering van de rompstabiliteit. Bij voortduring van de belasting, waarbij een combinatie van overstrekken, rotatie en compressie in de rug optreedt (bijv. tijdens de landing na een afsprong) ontstaan een enkele keer klachten ten gevolge van een defect van de processus articularis van de wervelboog (spondylolysis). Een spondylolysis kan gepaard gaan met (vaak al langdurig bestaande) klachten van lage-rugpijn, soms met wat uitstraling naar de billen, met name als de rug hol wordt gemaakt. In het algemeen straalt de pijn niet uit naar n of beide benen en zijn er geen uitvalsverschijnselen zoals krachtverlies van de beenspieren. Een gymnast met rugklachten moet worden aangeraden zich te laten onderzoeken door een (sport)arts. Wanneer sprake blijkt van een spondylolysis wordt afhankelijk van de ernst van de klachten in het algemeen geadviseerd de turntrainingen tijdelijk geheel of gedeeltelijk te staken. In de eerste fase van de behandeling staat het reduceren van de pijnklachten op de voorgrond. Als de gymnast pijnvrij is, kan worden gestart met de revalidatie, die gericht is op het verbeteren van de actieve romp- en bekkenstabiliteit door middel van spierversterkende oefeningen voor rug-, buik-, bil- en heupspieren en rekoefeningen voor hamstrings, quadriceps, bilspieren en heupbuigers.
In de derde fase van de behandeling wordt geleidelijk aan de turnbelasting weer hervat en opgebouwd tot het oude niveau.
Wanneer sprake is van een defect van de wervelboog zowel links als rechts op hetzelfde niveau, dan kan deze wervel ten opzichte van de onderliggende wervel afglijden. In dat geval wordt gesproken van een spondylolisthesis. Bij deze aandoening moet vaak worden geadviseerd het turnen blijvend te staken.
Afhankelijk van de te verwachten groei van de gymnast kan de wervel door het turnen verder afglijden en aanleiding geven tot ernstige pijnklachten en soms zelfs neurologische uitvalsverschijnselen.
De behandeling van een spondylolisthesis is, afhankelijk van de ernst van de afglijding, conservatief (relatieve rust, oefeningen ter stabilisering van romp en bekken, corset) of operatief. Bij een operatieve behandeling van een spondylolisthesis wordt de afgegleden wervel in de juiste stand gerepositioneerd en vervolgens aan de onderliggende wervel gefixeerd (spondylodese).
Polsblessures kunnen worden onderscheiden in acute en chronische blessures.
Acute polsblessures ontstaan vaak ten gevolge van een val op de uitgestrekte arm. Fracturen van het spaakbeen (radius) of van een van de handwortelbeentjes (os scaphoideum) kunnen het gevolg zijn. Acute polstrauma's moeten altijd door een arts worden beoordeeld. Vaak is aanvullend röntgenonderzoek noodzakelijk om een fractuur uit te sluiten. Met name fracturen van het os scaphoideum moeten langdurig in gips worden geïmmobiliseerd. De genezing van deze fracturen is in het algemeen traag ten gevolge van een lokaal minder goede doorbloeding. Het komt voor dat de fractuurdelen bij een fractuur van het os scaphoideum niet vastgroeien. Men spreekt dan van een pseudo-artrose. De behandeling van een pseudo-artrose is in het algemeen operatief, waarna postoperatief opnieuw een langdurige periode van gipsimmobilisatie volgt. Uiteindelijke terugkeer in de turnsport vergt intensieve revalidatie, waarin de mobiliteit van de pols volledig hersteld moet zijn, evenals de kracht van de polsbuigers en polsstrekkers.
Chronische polsklachten bij turnen zijn veelal het gevolg van herhaalde stootbelasting, die op de polsen inwerkt bij het opvangen van het lichaamsgewicht op de handen en het steunen op en afzetten van de handen. In eerste instantie ontstaan hierdoor overbelastingsblessures van met name de pezen en het kapsel rond het polsgewricht.
Chronische polsklachten kunnen worden voorkomen door tijdens de training aandacht te besteden aan de turntechniek.
Met name moet aandacht worden besteed aan plaatsing van de handen tijdens steunelementen als handstand en flick-flack. Wanneer de handen te veel met de vingers naar binnen worden geplaatst, neemt de druk op het spaakbeen (distale radius) toe. Handplaatsing met de vingers te veel naar buiten gericht kan overstrekking van de ellebogen tot gevolg hebben. Er bestaat overigens onder turntrainers internationaal geen consensus over de ideale handplaatsing tijdens steunelementen. In het algemeen worden de handen tijdens flick-flacks licht naar binnen geplaatst, terwijl de handen tijdens handstand meer in de neutrale positie worden geplaatst. In geval van polsklachten kan, afhankelijk van de aard en de lokalisatie van de polsblessure en afhankelijk van de (over)strekking die in de ellebogen ontstaat, in individuele gevallen worden geadviseerd de handen wat meer naar binnen of verder naar buiten te plaatsen. Naast juiste plaatsing van de handen is het van belang om overstrekking van de polsen tijdens steunmomenten te voorkomen.
Het stabiliseren van de polsen ter voorkoming van overstrekking vergt goed getrainde onderarmspieren.
Naast overbelastingsblessures van pezen en kapsel rond de pols, is bij turn(st)ers ook een aandoening van het polsgewricht bekend waarbij een beschadiging van de groeischijf van het spaakbeen optreedt. Verondersteld wordt dat vermoedelijk onder invloed van herhaalde belasting die tijdens het turnen op de polsen inwerkt, de groeischijf van het spaakbeen (radius) ter hoogte van de pols voortijdig verbeent, waardoor de ellepijp (ulna) relatief wat langer wordt. Ten gevolge van de discrepantie in lengte tussen radius en ulna kan bij voortdurende (over)belasting schade aan kraakbeen- en bindweefselstructuren in het polsgewricht zelf ontstaan. Vaak ontstaan secundair aan de afwijkingen in het polsgewricht ontstekingen van pezen rond de pols.
Wanneer sprake is van polsklachten, is het van belang om de steunbelasting tijdelijk te verminderen en binnen de pijngrens de onderarmspieren te trainen (spierversterkende oefeningen van polsbuigers en -strekkers, stabiliserende oefeningen voor het polsgewricht, reken mobiliserende oefeningen). Ter ondersteuning van de revalidatie en ter preventie van overstrekking van de polsen kan een brace of tapebandage rond het polsgewricht worden gebruikt.
Blessures ten gevolge van overbelasting van het onvolgroeide skelet bij gymnastiek en turnen
Bekende overbelastingsblessures bij turn(st)ers in de groei zijn de stoornissen in de verbening van botkernen (aseptische botnecrosen). De ziekte van Osgood-Schlatter is de meest bekende.
Bij deze aandoening is sprake van een stoornis in de verbening van de botkern ter plaatse van de aanhechting van de kniepees aan het onderbeen en ontstaat lokaal een pijnlijke zwelling. Pijn treedt met name op bij piekbelasting zoals (af)sprongen. Vaak is sprake van verkorting en verzwakking van de bovenbeenstrekkers (quadriceps). De klachten ontstaan tussen het tiende en vijftiende levensjaar, in het algemeen meer bij jongens dan bij meisjes.
Bij gymnasten is ook de botkern van het hielbeen ter plaatse van de aanhechting van de achillespees een lokalisatie waar vertraging van de verbening kan optreden. Deze verbeningsstoornis staat bekend onder de naam Sever-Schintz en geeft meestal tussen het achtste en twaalfde jaar klachten. Deze afwijking, die meer bij meisjes dan bij jongens voorkomt, gaat gepaard met een pijnlijke aanhechting van de achillespees op het hielbeen, met name bij sprongbelasting. Ook bij deze aandoening blijkt in de praktijk vaak sprake van een spierverkorting en verzwakking van in dit geval de korte kuitspieren (m. soleus).
De behandeling van zowel de ziekte van Osgood-Schlatter als van de ziekte van Sever-Schintz bestaat uit het tijdelijk verminderen van de piekbelasting en het versterken en rekken van de verzwakte en verkorte spieren. In het algemeen is het beloop van deze twee aandoeningen goedaardig en treedt spontaan herstel op.
Een verbeningsstoornis waarbij het spontane beloop veel minder gunstig is, is die van de heupkop. Deze aandoening, die bekend staat onder de naam perthes, komt meer voor bij jongens dan bij meisjes, meestal in de leeftijd tussen vijf en tien jaar. Door een tijdelijk verminderde doorbloeding van de heupkop die op deze leeftijd kan voorkomen, treedt vervorming van de heupkop op.
De ernst van de vervorming is afhankelijk van de mate waarin de heup belast wordt.
Symptomen van een beginnende Perthes zijn aanvankelijk mild: lichte pijnklachten in de liesstreek, soms uitstralend naar de knie. Vaak loopt het kind enigszins mank. Jonge turn(st)ers met deze klachten moeten altijd onderzocht worden op heupkopafwijkingen. Het turnen moet gestaakt worden totdat duidelijkheid bestaat over de oorzaak van de klachten.
De ziekte van Perthes wordt niet veroorzaakt door turnen, maar wanneer de turntraining niet wordt gestaakt bij turn(st)ers met deze aandoening kan uiteindelijk blijvende vervorming van de heupkop en vroegtijdige arthrose van het heupgewricht het gevolg zijn.



