• Snel herstel met onze oefeningen
  • Trainingsprogramma’s op maat
  • Betrouwbare informatie van de sportzorgprofessional

Jeugd en sport

Sport wordt steeds meer en op steeds jeugdiger leeftijd beoefend: niet alleen kiest de jeugd op grote schaal voor sport als vrijetijdsbesteding, maar ook wordt getalenteerde jeugd steeds vroeger met zware trainingsprogramma's ter voorbereiding van topsportbeoefening geconfronteerd. Een goed begrip van wat belasting en training betekenen voor jongeren vereist kennis van:

  • normale groei en ontwikkeling van kinderen;
  • seksuele differentiatie tussen jongens en meisjes vanaf de puberteit;
  • verschillen in tempo van groei en ontwikkeling tussen vroeg- en laatrijpers en de consequenties die dit heeft voor lichamelijke prestaties van deze jeugdigen.

De laatste twintig jaar is er sprake van een toegenomen belangstelling voor onderzoek naar belasting en training van kinderen. Een bewijs daarvan kan men aflezen uit de toename van het aantal publicaties van wetenschappelijk onderzoek. Vanwaar deze wereldwijd toegenomen belangstelling? 
Op de eerste plaats is het aantal kinderen dat reeds op zeer jeugdige leeftijd lid wordt van een sportclub, en zelfs gaat deelnemen aan training voor topsportbeoefening en dus wordt blootgesteld aan zeer zware trainingsbelasting, sterk toegenomen. Voorbeelden van sporten waar dat heel opvallend gebeurt zijn turnen, zwemmen en kunstschaatsen. 
Ten tweede zijn er aanwijzingen dat regelmatige lichamelijke inspanning op jeugdige leeftijd een grote preventieve waarde kan hebben voor de gezondheid van die kinderen wanneer deze eenmaal volwassen zijn. Dit in verband met het voorkomen van hart- en vaatziekten, waarvan een aantal risico-indicatoren reeds op heel jonge leeftijd tot stand kan komen; bijvoorbeeld een te hoog percentage lichaamsvet, een te hoge bloeddruk, een te hoog cholesterolgehalte in het bloed en te weinig lichaamsbeweging. Maar ook zijn positieve gezondheidseffecten aangetoond ten aanzien van andere chronische ziekten, zoals osteoporose en chronische longaandoeningen. 
Ten derde zijn er ook veel voorbeelden bekend over de diagnostische waarde van lichamelijke inspanning in het kader van de gezondheidszorg: het uitvoeren van een zes minuten durende hardloopproef in de buitenlucht kan bij astmapatinten een benauwdheid provoceren, zogenaamde inspanningsastma. 
Op de vierde plaats is gebleken dat regelmatige inspanning heilzaam kan werken op verschillende (chronische) ziekten; zo is gebleken dat bijvoorbeeld kinderen met diabetes als gevolg van regelmatige inspanning steeds minder insuline hoeven te spuiten als gevolg van een verhoogde insulinegevoeligheid.

In vele opzichten gaat de levenswijze van kinderen steeds meer lijken op die van volwassenen. De noodzaak om zich lichamelijk in te spannen op school, thuis en in de vrije tijd is sterk verminderd als gevolg van bromfiets, auto en hobby's zoals televisiekijken en computerspelletjes. 
De dagelijkse hoeveelheid lichaamsbeweging speelt echter een cruciale rol bij het behoud en/of verbeteren van de lichamelijke fitheid en de gezondheid. De lichamelijke fitheid wordt bepaald door enerzijds genetische factoren (aanleg) en anderzijds door omgevingsfactoren (training). De dagelijkse lichamelijke activiteit heeft betekenis voor zowel de lichamelijke fitheid als de gezondheid. Hoe deze samenhang precies is, is echter nog onduidelijk. Van vele aandoeningen bij jeugdigen, zoals arthritis, spasticiteit, cystic fibrosis, overgewicht, hartafwijkingen (met als gevolg cyanose) en scoliose is bekend dat deze gepaard gaan met inactiviteit en tevens een gevolg zijn van inactiviteit. Kinderen met bronchiale astma, diabetes mellitus, epilepsie, hemofilie en nietcyanotische hartafwijkingen kunnen lichamelijk actief zijn, maar zij zijn het dikwijls niet. Een deel van deze inactiviteit is het gevolg van overbescherming door de ouders, de leerkrachten en de medische begeleiding. Opvallend is dat er in het algemeen bij kinderen vanaf zes jaar een geleidelijke daling van het dagelijkse energieverbruik plaatsvindt: op zesjarige leeftijd is het totaal energieverbruik gemiddeld 80 kcal/kg/dag, maar op achttienjarige leeftijd is dat nog slechts de helft (40 kcal/kg/dag). Bovendien blijkt dat meisjes tussen zes en veertien jaar gemiddeld 10% minder actief zijn dan jongens. Dit verschil wordt daarna minder en op volwassen leeftijd is het verschil in dagelijkse lichamelijke activiteit tussen mannen en vrouwen verdwenen.

Neuromusculaire belasting
Met betrekking tot de maximale spierkracht is bekend dat kinderen minder spierkracht bezitten dan volwassenen. Dit is het gevolg van een toenemend volume van de spiervezels tijdens de groei. 

De toename van de kracht gaat echter parallel aan de ontwikkelingssnelheid. 
Omdat tijdens het uitoefenen van een maximale kracht het aanspannen van de contractiele elementen van de spiervezels slechts zeer kort duurt, speelt het energiesysteem nauwelijks een rol. Het regelmatig uitoefenen van dergelijke maximale krachten vergroot bij jeugdigen wel de kans op beschadiging van bot en kraakbeenweefsel. Aangezien het skelet nog in opbouw is, zal men vóór het beëindigen van de groei voorzichtigheid moeten betrachten bij zware gewichtsbelastingen zoals bij training met grote weerstanden (geen gewichtstraining met een herhalingsmaximum onder de tien jaar) en bij vormen van diepspringen of vaak herhaalde bewegingen (zoals werpen bij honkbal). 
Met name voor en tijdens de groeispurt bestaat een vergrote kans op beschadiging van de groeischijven, die tot groeiverstoring aanleiding kan geven. Behalve beschadigingen aan de epifysairschijven ziet men tijdens de groeispurt ook veel houdingsafwijkingen, zoals X-benen en/of zijdelingse en voor- of achterwaartse afwijkingen van de wervelkolom (resp. scoliose en adolescente kyfose of lordose).

Belasting van het energetische systeem
Prestaties die rond een minuut duren worden gerekend tot het snelheidsuithoudingsvermogen. Voorbeelden van dergelijke prestaties zijn 400 m hardlopen of 1500 m schaatsen. 

De voornaamste energiebron voor de spier is, naast de fosfaataccu (ATP en CP), het melkzuursysteem. Als indicator voor het snelheidsuithoudingsvermogen kan men de door de spier geproduceerde hoeveelheid melkzuur beschouwen. Jonge kinderen bereiken lagere maximale melkzuurwaarden wanneer ze zich maximaal inspannen doordat hun anaëroob vermogen geringer is. 
Het korte (een tot vijf minuten) en het middellange uithoudingsvermogen (van vijf tot dertig minuten) doen procentueel een steeds groter beroep op het aerobe energiesysteem. Het lange uithoudingsvermogen heeft betrekking op prestaties die langer duren dan een half uur. In dat geval, zoals bij een tienkilometerloop, is meer dan 95% van de energievoorziening afkomstig van het aerobe systeem. Als maat voor het aerobe systeem wordt de maximale zuurstofopname gebruikt (VO2-max). Zowel transversaal als longitudinaalonderzoek heeft aangetoond dat deze VO2-max in absolute eenheden, hetzij gemeten op een fietsergometer dan wel op een tredmolen, regelmatig toeneemt tijdens de groei; tot aan de PLS is de gemiddelde VO2-max iets hoger bij jongens dan meisjes. Vanaf de puberteit neemt de Vo2-max bij jongens verder toe, maar stagneert bij meisjes. Hoewel de longventilatie over het algemeen wordt beschouwd als de sterkste schakel in de diverse ketens van het zuurstoftransportsysteem, zijn er aanwijzingen dat jonge kinderen minder efficiënt ademen dan tieners en volwassenen. De ademfrequentie is hoger dan die bij volwassenen. Niet duidelijk is of deze geringere efficiëntie van de ventilatie een beperkende rol speelt bij het uithoudingsvermogen. In tegenstelling tot de longventilatie wordt de bloedcirculatie wel als een beperkende schakel in de zuurstoftransportketen beschouwd. In vergelijking met volwassenen vertonen kinderen een lager hartminuutvolume tijdens submaximale belasting. Dit wordt bewerkstelligd door een kleiner hartslagvolume en een hogere hartfrequentie. Daar staat echter tegenover dat de hoeveelheid zuurstof die naar de spieren gaat (het arterioveneuze zuurstofverschil) bij kinderen hoger is. Dit is waarschijnlijk het gevolg van een betere perifere spierdoorbloeding. Per saldo wordt derhalve via de circulatie van het kind tijdens submaximale inspanning evenveel zuurstof naar de spieren getransporteerd.

De effecten van een trainingsprogramma lijken erg veel op de effecten van groei en ontwikkeling. Immers ook wanneer bij kinderen geen effecten van een trainingsprogramma optreden, worden de kinderen toch sterker en krijgen zij grotere longen en een groter hart als gevolg van hun normale groei en ontwikkeling. 
Tot aan het begin van de groeispurt blijken er nauwelijks verschillen te zijn in de VO2-max van groepen kinderen die wel of niet actief zijn. Daarna echter neemt het aerobe vermogen van de actieve groep sterker toe dan van de minder actieve groep. Het lijkt er dus op dat de mate van lichamelijke activiteit pas een effect heeft op het aërobe vermogen vanaf de puberteit.Twee verklaringen dringen zich op voor dit verschil in trainingseffect met de leeftijd. Op de eerste plaats is bekend dat jongere kinderen in de leeftijd van vier tot twaalf jaar bijna allemaal nog betrekkelijk actief zijn en mede als gevolg daarvan een goed uithoudingsvermogen hebben. Een geringe verhoging van hun activiteitenpatroon door één tot twee uur extra sport, training of lichaamsoefening zal daar weinig verbetering in kunnen brengen. De verschillen in activiteit worden echter veel groter rond en vooral na de puberteit. Voor sommige pubers is op straat spelen nauwelijks meer aan de orde en ook stopt een groot aantal van hen met sportbeoefening en fietsen. Wanneer het totale activiteitenniveau na de puberteit sterk vermindert, zou een verhoging van het activiteitenpatroon wel een effect kunnen hebben op het maximale aërobe vermogen. In de tweede plaats kunnen hormonale veranderingen die tijdens en na de groeispurt optreden, verantwoordelijk zijn voor het verschil in trainingseffect op verschillende leeftijden.

Effecten van krachttraining
Wanneer een kind echter vóór de puberteit aan een trainingsprogramma wil deelnemen, dan dienen de volgende richtlijnen te worden gevolgd.

  • Een zorgvuldig onderzoek vooraf om contra-indicaties voor het doen van specifieke oefeningen op te sporen. - Het trainingsprogramma dient opgesteld en uitgevoerd te worden onder deskundige leiding.
  • Kinderen mogen niet trainen met gewichten die zij minder dan tien keer achter elkaar kunnen optillen; het zogenaamde 10 herhalingsmaximum (10HM).
  • Vóór het zestiende jaar mogen nooit maximale gewichten (1 HM) worden opgetild. 
    Een veelzijdig fitheidsprogramma voor kinderen dient uit een oogpunt van gezondheid altijd krachttraining te bevatten teneinde de botdichtheid te bevorderen en ter preventie van rugklachten op latere leeftijd.

Tot slot mag de opmerking niet ontbreken dat de bewegingscoördinatie bij uitstek tijdens de kinder- en tienerjaren tot bloei kan komen. Dit aanleren van bewegingen dient dan ook vaak veel en veelzijdig aan de orde te komen tijdens de jeugd. In de lessen lichamelijke opvoeding, op de sportclub maar ook in het gezin dient veelzijdig bewegen nagestreefd te worden: jong geleerd is oud gedaan!

Zoek een sportzorgprofessional