• Snel herstel met onze oefeningen
  • Trainingsprogramma’s op maat
  • Betrouwbare informatie van de sportzorgprofessional

Seksuele intimidatie en seksueel misbruik in de sport

Met de term seksuele intimidatie wordt gedoeld op elke vorm van seksueel gedrag of seksuele toenadering, opzettelijk of onopzettelijk, die door de persoon die het ondergaat als ongewenst of gedwongen wordt ervaren. Het kan gaan om verbaal, non-verbaal en fysiek gedrag. Seksuele intimidatie is in veel gevallen gekoppeld aan machtsongelijkheid qua positie. Maar ook verschil in fysieke kracht, leeftijd, sekse of het deel uitmaken van een groep kunnen een ongelijkwaardige situatie creëren, waardoor de persoon die het ondergaat het gevoel heeft de seksuele toenadering niet te kunnen weigeren of zich eraan te kunnen onttrekken. Seksuele intimidatie komt voor in verschillende gradaties, van gebaren en opmerkingen tot fysieke aanranding en verkrachting en van eenmalig incident tot jarenlang misbruik. In dit hoofdstuk wordt de term 'seksuele intimidatie' gebruikt als verzamelbegrip waarmee op al deze verschijnselen wordt gedoeld. We spreken specifiek van 'seksueel misbruik' als het gaat om seksueel gedrag ten opzichte van personen onder de zestien jaar dat tegen de zin van het kind (of de jeugdige) plaatsvindt, of als het kind dit -als gevolg van emotionele druk, vanzelfsprekend overwicht of dwang van de dader -niet kan weigeren.

Kenmerkend voor seksuele intimidatie is dat er sprake is van een ongelijke machtsrelatie tussen pleger en slachtoffer. De chef, hulpverlener en leraar tegenover de ondergeschikte, patiënt en leerling. Een veelvoorkomende machtsverhouding in de sport is die van de trainer/coach ten opzichte van de sporter. De sporter is afhankelijk van het advies en inzicht van de coach en in geval van een teamsport beslist deze bovendien of de sporter wel of niet in de basisopstelling staat. Dit is de macht die de coach bezit ten opzichte van zowel jeugdige als volwassen sporters. Gaat het om jeugdige sporters, dan komt daar de macht en het overwicht van volwassenen over kinderen bij. Kinderen zullen de verhouding tot hun trainer automatisch interpreteren als vergelijkbaar met hun verhouding tot andere gezagsdragers zoals ouders en onderwijzers. Een andere machtsrelatie binnen en buiten de sport is die tussen mannen en vrouwen. De begeleiding in de sport is nog altijd een door mannen gedomineerd gebied. Een grote meerderheid van de coaches en bestuurders is van het mannelijk geslacht. Mannen en het 'het mannelijke' gelden als norm in de sport. Zij maken over het algemeen de dienst uit. Daardoor krijgt elke mannelijke trainer of sporter automatisch een 'stukje macht' toegewezen, dat ze tegenover vrouwelijke sporters en trainers kunnen gebruiken. Uit onderzoek onder trainers blijkt dat vrouwelijke trainers soms last hebben van seksueel intimiderend gedrag van mannelijke collega's. In deze relatie is formeel geen machtsverschil aanwezig, maar laat zich de structurele machtsongelijkheid tussen de seksen herkennen. Ook in de omgang van sporters onderling kan dit werkzaam zijn. 'Toen ik een nieuwe groep kreeg met veel mannen van mijn en iets oudere leeftijd, kreeg ik opmerkingen over dat ik een lekker mokkel was en door omstanders werden weddenschappen gemaakt wie me het eerst in bed zou krijgen', aldus een vrouwelijke trainer. In dit geval blijkt de positie van de trainer haar niet te beschermen tegen seksuele intimidatie. In dit voorbeeld lijkt de macht van een sekse in combinatie met de macht van een groep werkzaam.

Breedtesport
'Jeugdleider pleegt ontucht met vijf voetballertjes': een voorbeeld van berichtjes die met regelmaat in de krant staan en die verwijzen naar seksueel misbruik in de breedtesport. Het profiel van deze dader is waarschijnlijk niet sportspecifiek en het seksueel misbruik vergelijkbaar met seksueel misbruik door bekende, oudere niet-verwanten. Het profiel van deze misbruiker laat een streven zien dat alleen gericht is op het doen van werk dat toegang geeft tot kinderen, zoals het onderwijs en de sport. Deze personen zijn geloofwaardig en vaardig in hun communicatie met kinderen. Er vinden bijvoorbeeld logeerpartijtjes bij en uitstapjes met de jeugdleider plaats. De daders besteden eerst tijd aan het 'week maken' van het kind en het opbouwen van een vriendschappelijke band. Als vervolgens een seksueel aspect aan de relatie wordt toegevoegd, houdt het kind het gebeurde veelal lang geheim uit angst deze band te verliezen. Het misbruik kan daardoor lang duren en de daders zijn moeilijk op te sporen. Een trainer kan zich op een andere manier dan gewone leden door de vereniging bewegen. Hij is vaak de enige volwassene in de zaal en veel kinderen vinden het niet raar als hij een kijkje komt nemen terwijl zij zich omkleden of douchen. De trainer met onheuse bedoelingen kan dus misbruik maken van gewone situaties. Dat hij gelegenheid heeft kinderen te misbruiken, heeft minder te maken met zijn gezag op sporttechnisch gebied dan met het feit dat hij de sleutel van de kleedkamers heeft, fysiek sterker is en de autoriteit van een volwassene heeft.

(Richting) topsport
De macht van een trainer neemt toe naarmate de sporter ambitieuzer wordt. De sporter zal meer trainen, waardoor er meer contactmomenten komen. De invloed van de trainer op de pupil wordt groter. Om het mogelijke effect van dit contact in te schatten, is ook de relatie van het kind tot andere gezagsdragers relevant. Bij de overgang van de basisschool naar de middelbare school verdwijnt bijvoorbeeld de vaste leerkracht. In dezelfde periode gaat het kind zich zelfstandiger opstellen tegenover zijn ouders. De trainer/coach die hem twee keer per week training geeft, bij het vrij spelen optreedt als zijn 'sparring'partner, op zaterdag fungeert als coach/chauffeur en op zondag opduikt om hem naar de volgende ronde van de meerkampen te coachen, kan in die periode de meest dominante gezagsdrager in de omgeving van het kind worden.

De sportvereniging of het team kan een tweede familie worden en de coach een vaderfiguur. 'Vanwege de tijd die je er doorbrengt, de eisen, de vriendschap, de kansen... Ze geven je iets wat niemand anders je kan geven. Ze zijn broer, oom, vader... Het kind voelt zich veilig en zal alles doen', aldus een slachtoffer. De band met de coach gaat soms verder dan die met de eigen ouders: 'Dit was de kerel die ik had vertrouwd, hij wist alles over me -meer dan mijn ouders'. De toenemende macht van een trainer is een geleidelijk proces waarin verschillende factoren elkaar versterken. Uiteindelijk kan de greep van een trainer over zijn pupil zo groot worden dat de pupil in de relatie met de trainer een willoos object is geworden: desgewenst kan de trainer elk aspect van het gedrag van zijn pupil naar zijn hand zetten. Coaches hebben soms invloed op kleding en haardracht van de sporter, maar ook op het sociale leven en op vriendjes. Op zeker moment kan de trainer een seksueel aspect aan de relatie toevoegen, zonder dat de sporter zelfs maar protesteert. Het blijkt dat aan het moment waarop de coach zijn atleet seksueel misbruikt, maanden of zelfs jaren van 'grooming' (het week of willoos maken) voorafgaan. Dit proces is de cruciale voorloper van seksuele toenadering. Het omvat het opbouwen van vertrouwen, het langzaam terugdringen van de grenzen van 'normaal' gedrag en het beetje bij beetje aantasten van de persoonlijke ruimte van de sporter door verbale familiariteit, emotionele chantage en fysieke aanrakingen. Sporters die hierin meegaan, doorgaans onbewust, vinden zichzelf op zekere dag gevangen en niet in staat de seksuele eisen van de coach te weerspreken. De kans dat zich dit op topniveau voordoet, is vermoedelijk groter dan op clubniveau. In de top trekken begeleider en topsporter intens en langdurig met elkaar op. Op jonge leeftijd blijkt de sporter getalenteerd te zijn en wordt zij onder de hoede genomen van een goede coach. De sporter en haar ouders worden ambitieus. Topsport en de weg ernaartoe legitimeren grensoverschrijdend gedrag: je zet alles aan de kant om zoveel mogelijk te bereiken. Dat is een algemeen geaccepteerd gegeven binnen de topsport. Binnen dit gegeven kan een trainer misbruik van zijn macht maken. Extreme trainingsprogramma's en dieetvoorschriften zijn geaccepteerd als de 'prijs van succes’. Uit interviews met topsporters blijkt echter dat zij ook het seksueel misbruik onder deze noemer plaatsen: 'Ik dacht, dit is wat het kost om een goede zwemster te worden' en 'Zo heb ik tot het laatst toe gedacht: als je aan topsport doet, mag je niet zeuren. Geen flauwekul. Daar word je hard van', aldus een topsportster over het seksueel misbruik door haar coach. Ook komt het voor dat de sporter op weg naar de top verliefd wordt op de coach en pas later tot het inzicht komt dat zij misbruikt is, bijvoorbeeld als blijkt dat er meer slachtoffers waren. Het gevoel van medeplichtigheid, de loyaliteit ten opzichte van de trainer en de effectiviteit van het proces van 'grooming' kunnen de herkenning van seksueel misbruik lange tijd in de weg staan. Het is overigens altijd de verantwoordelijkheid van de coach in een functionele relatie geen seks toe te laten, al is de sportster nog zo verliefd. Jonge sporters op weg naar de top vormen een extra kwetsbare groep. Zij besteden hun tijd aan trainen in plaats van aan socialiseren te midden van leeftijdgenoten en ontwikkelen daardoor wellicht minder 'overlevingsstrategieën' dan hun op andere gebieden actievere leeftijdgenoten. Hoewel men wellicht grote assertiviteit en mentale hardheid zou verwachten van meisjes en vrouwen in de wedstrijdsport, blijken de autoriteit van de coach en zelfs psychologisch manipulatief gedrag en misbruik nauwelijks door hen in twijfel te worden getrokken en te worden afgewezen. De afhankelijkheidsrelatie blijkt meer te 'werken' dan bijvoorbeeld fysieke weerbaarheid. Slachtoffers vertellen achteraf over hun naïviteit ten tijde van het misbruik, hun onmacht het eigen leven te controleren en hun volledige onder werping aan de eisen van de coach: 'Toen was ik helemaal afhankelijk van hem -hij was god -zonder naar mezelf te luisteren. Van mijn vijftiende tot mijn negentiende bezat hij me eigenlijk'.

De gevolgen van seksuele intimidatie in de sport voor het individuele slachtoffer variëren evenzeer in ernst als de verschillende vormen van intimidatie en misbruik. Dit wil echter niet zeggen dat een eenmalige gebeurtenis per definitie minder ernstige gevolgen zal hebben dan langdurige intimidatie. Relatief minder ernstige gevolgen op korte termijn zijn minder plezier hebben in het sporten, wegblijven van trainingen, een teruggetrokken opstelling en/of uiteindelijk stoppen met sporten of veranderen van sport of vereniging.

De gevolgen van seksuele intimidatie in de sport verschillen niet van de gevolgen die aan seksuele intimidatie in het algemeen worden toegeschreven. Ze laten zich indelen in psychische, psychosomatische en lichamelijke gevolgen en kunnen zowel op korte als langere termijn worden ondervonden.

Psychische gevolgen

  • angsten
  • fobieën
  • wantrouwen
  • agressie
  • verminderd zelfvertrouwen
  • laag zelfbeeld
  • neerslachtigheid
  • schuldgevoel
  • schaamtegevoel
  • relatieproblemen
  • seksuele problemen
  • zeIfmoordgedachten/-pogingen

Psychosomatische gevolgen

  • hoofdpijn
  • buikpijn
  • hyperventilatie
  • eetproblemen
  • verslavingen

Lichamelijke gevolgen

  • verwondinge
  • geslachtsziekten
  • zwangerschap
  • gynaecologische problemen
  • ongewenste kinderloosheid
  • pijn bij het vrijen
  • vroege baarmoederoperaties

Het komt voor dat bijna iedereen in de omgeving weet dat er iets niet goed is, maar dat niemand ingrijpt. Of, zoals een slachtoffer omschrijft: 'Ik probeerde iemand te bedenken aan wie ik het kon vertellen maar dat lukte niet -ze zouden allemaal bang zijn om iets te doen, voor het geval ze hem nodig zouden hebben in de toekomst'. Dit maakt duidelijk dat met name het voortduren van seksuele intimidatie niet alleen te maken heeft met het gegeven dat er een pleger is die ongewenst gedrag vertoont en een slachtoffer dat het 'laat gebeuren'. In de omgeving spelen ook indirect betrokkenen een rol. Verschillende factoren kunnen, bewust of onbewust, bijdragen aan het voortduren van een situatie. Verder kunnen structuur- en cultuurkenmerken signalering in de weg staan en risicoverhogend werken.

De slachtoffers zelf
Een deel van de vrouwen die met seksueel intimiderend gedrag te maken krijgen, laat direct duidelijk weten dat ze niet van het gedrag gediend is. Hoe komt het dat niet alle vrouwen 'lik op stuk' geven? Bij seksuele intimidatie gaat het bijna altijd om iemand die het slachtoffer kent. Veel vrouwen ervaren dan een loyaliteitsconflict: de belager is een bekende met wie men tot dan toe vriendschappelijk optrok en die nu onverwacht seksueel intimideert. Men is er niet op voorbereid, heeft zo snel geen antwoord klaar en wil misschien ook niet te pinnig reageren. Een ander punt is de machtspositie van de ander: lik op stuk geven doet men bijvoorbeeld eerder tegen één medesporter dan tegen een hele groep. En men doet het minder snel tegen iemand die de macht heeft je het leven zuur te maken. Dit soort zaken en overwegingen weer houdt veel vrouwen ervan zich direct duidelijk afwijzend op te stellen. Vrouwen doen dan alsof ze het niet merken, ze lopen weg of vermijden het contact zoveel mogelijk. Hiermee blijft het probleem verborgen en wordt het niet opgelost. Veel jonge slachtoffers van seksueel misbruik zwijgen eveneens over het gebeurde. Dit heeft enerzijds te maken met de druk tot geheimhouding die door de pleger wordt uitgeoefend, maar kinderen zwijgen ook uit eigen beweging door (soms plaatsvervangende) schaamte, schuldgevoel of angst. Ze zijn bang om de schuld te krijgen, om niet geloofd te worden, voor de gevolgen die het spreken voor anderen (onder wie de dader en zijn gezin) kan hebben of uit loyaliteit met de pleger. Of de sporter weegt het misbruik af tegen de wens succes te hebben, speciaal wanneer de coach als 'de beste' doorgaat. 'Hij was erg lichamelijk ingesteld. Maakte voortdurend opmerkingen over vrouwen. Zei dat hij van me hield. Ik pikte het omdat ik wereldkampioene wilde worden', aldus een sportster over haar coach? Maar soms wordt ook gezwegen omdat men niet weet wie men in vertrouwen kan nemen. Deze mechanismen maken dat slachtoffers hun probleem niet snel naar buiten brengen, zodat de omgeving kan ingrijpen.

De plegers
Er zijn niet alleen risico's op intimidatie of misbruik als er sprake is van kwade wil van de kant van de pleger. Het is mogelijk dat extreme situaties juist ontstaan doordat een trainer zich onvoldoende bewust is van zijn machtspositie. Of men is zich gewoon niet bewust van de intimiderende werking van sommige gedragingen. Seksueel misbruik is persistent gedrag. Plegers hebben vaak al rond de tachtig overtredingen begaan, alvorens zij worden opgepakt. In het bijzonder adolescente plegers lijken eerder met een 'waarschuwing' weg te komen dan wettelijk te worden vervolgd. Plegers zijn er goed in te zorgen dat hun misbruik niet wordt ontdekt: 'Er waren manieren om te testen of ze de kinderen informatie doorgaven, of je op ze kon vertrouwen, of ze geheimen konden bewaren...', aldus een veroordeelde coach.

Plegers reageren op verschillende manieren op aantijgingen van seksuele intimidatie:

  • Ontkenning: het is niet gebeurd.
  • Minimalisering: het was onschuldig, een beetje plezier.
  • Beschuldiging van het slachtoffer: ze vroeg erom.
  • Het slachtoffer presenteren als onbetrouwbaar of wraaklustig: je kunt iemand als zij niet geloven.

Overige betrokkenen
Om seksuele intimidatie te stoppen is het belangrijk dat plegers worden aangesproken op de ongewenstheid van hun gedrag, door het slachtoffer dan wel door een ander. Niet alle plegers stoppen dan. Slechts de pleger die zich niet bewust was van de intimiderende werking van zijn gedrag, zal dat veranderen. Anderen willen niet begrijpen dat het gedrag seksueel intimiderend is, vinden bijvoorbeeld dat het slachtoffer niet zo flauw moet doen. Zij moeten dus worden gecorrigeerd door de omgeving, zoals door bestuurders. Bestuurders zijn soms geneigd problemen in de doofpot te stoppen, bevreesd voor het imago van de club of bond en in de hoop dat het zich niet zal herhalen. Is de coach een goede kracht, dan blijkt het behoud daarvan soms meer waard dan de sporter. Of men laat een trainer in stilte vertrekken, waarna hij elders ongestoord zijn gang kan gaan. Door geen duidelijke stelling te nemen tegen grensoverschrijdend gedrag, wordt impliciet de kant van de plegers gekozen. Verder zijn ouders betrokken. Ambitieuze ouders accepteren soms wangedrag (zoals slaan) van de coach omwille van het succes van het kind, en vertrouwen hun kinderen zonder meer toe aan de coach voor langere periodes en geven hem de status en de toegang van een verzorger. Een jonge sportster die misbruikt werd door haar trainer vertelde dat thuis niet, maar gaf wel aan dat ze van de sport afwilde. Haar vader regelde toen dat de trainer haar thuis kwam ophalen. Hier wordt de pleger onbedoeld in de kaart gespeeld, door signalen van het kind niet serieus te nemen. Ook andere 'omstanders', zoals collega-coaches of sporters, laten, door seksuele intimidatie te 'gedogen', impliciet weten dat het mag. Er wordt niets gedaan om verschillende redenen. Men kan het gedrag normaal vinden, het valt niet eens op. Ook kan men angst hebben zelf doelwit te worden, vooral als de pleger een zekere macht heeft. Of men vindt dat het slachtoffer aanleiding heeft gegeven. Maar ook kan men angst hebben iemand onterecht te beschuldigen.

Structuur- en cultuurfactoren
De maatschappelijke tendens is het probleem van seksuele intimidatie te individualiseren, maar structuur- en cultuurkenmerken zijn eveneens van invloed op het risico van seksuele intimidatie. Als de cultuur in een vereniging er een is van ongewenste intimiteiten en iedereen doet daaraan mee, ook de leiding, dan is het voor een eenling moeilijk de nek uit te steken en de omgangsvormen aan de kaak te stellen. Vragen die met betrekking tot risicofactoren in de cultuur gesteld zouden moeten worden, zijn: Is de cultuur er een waarin extreme middelen geaccepteerd zijn om het doel te bereiken? Worden grensoverschrijdingen ook buiten de sportvloer normaal gevonden en niet gecorrigeerd? Hoe wordt over mannen en vrouwen gedacht en gesproken? Wordt een situatie waarin een sporter volledig afhankelijk is van één persoon betwist? De antwoorden bepalen voor een deel de signaalgevoeligheid van de omgeving en de bereidheid van individuen op te treden tegen grensoverschrijdingen. Vragen die men zich met betrekking tot structuren in de sport zou moeten stellen, zijn: Wie oefenen macht uit in de sportomgeving? In hoeverre overlappen machtsposities elkaar? Hoe worden controle en toezicht uitgeoefend?

Het voeren van beleid tegen seksuele intimidatie kan niet alle problemen voorkómen. Een aantal echter wel. Met goed beleid kan bereikt worden dat mensen zich meer bewust worden van hoe ook onbedoeld gedrag kan overkomen en van de 'risico's van het vak', dat trainers vaker aangeven wat ze doen en waarom en dat sporters, maar ook begeleiders, aangeven waar hun persoonlijke grenzen liggen. Een goed beleid kan verder leiden tot vroegtijdige signalering van grensoverschrijdend gedrag en een goede aanpak ervan. Zo kan veel narigheid worden voorkómen, in de eerste plaats voor de slachtoffers, voor wie de gevolgen ernstig kunnen zijn en jaren later nog voelbaar. En voor onterecht beschuldigden, die gebaat zijn bij een zorgvuldige klachten behandeling. En ten slotte voor verenigingen, bonden en de sport als geheel. De sport is erbij gebaat dat plegers in een vroeg stadium worden gecorrigeerd. De sportomgeving moet immers voor iedereen veilig en plezierig zijn en ouders moeten hun kinderen met een gerust hart kunnen laten sporten.

Verenigingen kunnen dicht bij de sporters, ouders en kaderleden beleid voeren, hoe eenvoudig ook. Op die plaats moet immers veel gebeuren: het scheppen van een veilig klimaat, het oppikken van signalen en het optreden tegen grensoverschrijdend gedrag. Op deze plaats wordt een aantal concrete voorbeelden genoemd van de mogelijkheden op lokaal niveau actie te ondernemen: -Het organiseren van een discussieavond over de problematiek van ongewenste omgangsvormen en seksuele intimidatie voor al het kader van de vereniging. Hiermee wordt de problematiek 'opengegooid'. Mensen kunnen onzekerheden uitspreken en elkaar vertellen hoe ze met lastige situaties omgaan.

  • Het opstellen van huis- of gedragsregels en deze duidelijk zichtbaar ophangen. Deze regels kunnen meer onderwerpen beslaan dan alleen seksuele intimidatie.
  • Gedragsregels tot aanhangsel van arbeids- of vrijwilligerscontracten maken.
  • Het aanstellen van een vertrouwenspersoon, bij wie sporters en begeleiders te rade kunnen gaan over problemen op dit gebied. Eventueel kan dit in samenwerking met andere verenigingen of de gemeente worden georganiseerd. Het is vervolgens belangrijk deze vertrouwenspersoon goed bekend te maken.
  • Het wijzen op telefonische opvangdiensten zoals De Kindertelefoon en de SOS-Telefonische Hulpdienst, bijvoorbeeld door middel van een sticker op het toilet.
  • Het informeren van de leden en de ouders van jeugd leden over het gevoerde beleid, door bijvoorbeeld aandacht te besteden aan de problematiek op een ledenvergadering of in het clubblad.

Echt misbruik laat zich moeilijk voorkómen: wie kwaad wil kan doorgaans kwaad doen. Het risico van seksueel misbruik in een verregaande afhankelijkheidsrelatie tussen trainer en ambitieuze sporter, maakt deel uit van een geleidelijk proces waarin verschillende factoren elkaar versterken. Het risico laat zich het best beperken door een systematische, periodieke evaluatie van de relatie. De trainer zelf, maar ook ouders en verenigingsbestuurders zouden kunnen nagaan hoe de verhouding tussen trainer en pupil in elkaar steekt. Preventie is in dit geval gericht op het verminderen van de gesloten aard van de coach/sporter-relatie en op het voorkómen van de situatie waarin een jongere geheel is 'overgeleverd' aan de coach. Indien een relatie te gesloten is, de macht van een trainer op geen enkele wijze wordt beperkt of gecontroleerd door het gezag van ouders (bijvoorbeeld doordat zij consequent van de trainingen worden geweerd), bestuurders en andere (incidentele) begeleiders, dan moet dit aan de orde worden gesteld. De kans op seksueel misbruik in de breedtesport, is feitelijk alleen te beperken door permanente controle. Dit is doorgaans niet haalbaar, los van de vraag of het wenselijk zou zijn. We komen hier op het terrein van de secundaire preventie: vroegtijdige signalering en stoppen van het misbruik.

Zorgen voor een gezond klimaat
De basis van alle preventie is te zorgen voor een klimaat waarin de wederzijdse omgang van respect getuigt en waarin mensen oog hebben voor de wensen, behoeften en grenzen van anderen. Daarnaast moet de omgang gericht zijn op gelijkwaardigheid en veiligheid van jongens en meisjes, mannen en vrouwen. Het moet duidelijk zijn dat bepaalde uitlatingen of gedragingen kwetsend kunnen zijn en niet worden getolereerd. Problemen moeten bespreekbaar zijn. De begeleider moet zelf het goede voorbeeld geven van hoe hij grenzen van anderen respecteert. Daarnaast is het van belang dat hij corrigerend optreedt tegen kleine en grotere grensoverschrijdingen in zijn omgeving, begaan door collega's en door sporters onderling. Dit kan actief (iemand op zijn gedrag aanspreken) en passief (door niet mee te lachen om een kwetsende grap). Het is verder belangrijk dat een trainer zich openstelt voor de problemen van kinderen, of het nu gaat over pesten of andere vervelende dingen. De begeleider moet kinderen duidelijk maken dat ze naar hem toe kunnen komen.

Reflectie op eigen positie en gedrag
Het is belangrijk dat begeleiders zich bewust zijn van de eigen positie, de macht die hieraan verbonden is en de invloed die men ook onbedoeld kan hebben op sporters. De begeleider is als volwassene verantwoordelijk voor de pupil die tijdelijk aan zijn zorg wordt toevertrouwd. Het is daarbij niet nodig krampachtig te worden rond al het lichamelijke contact dat bij het trainen, coachen en bijvoorbeeld masseren komt kijken. Niet al het lichamelijke contact moet gelijk worden gesteld aan seksueel getint contact. Met lichamelijk contact is niets mis, zolang men geen eigen seksuele behoeften tracht te bevredigen, seksuele contacten buiten functionele relaties houdt en oog heeft voor wat de ander prettig vindt. Dit laatste vraagt een zekere gevoeligheid voor de signalen van anderen. Indien men onzeker is over hoe aanrakingen worden opgevat, kan men de sporter natuurlijk vragen of zij het goed vindt. Of men kan uitleggen waarom de sporter wordt beetgepakt. Of men het nu nodig vindt toestemming te vragen voor al het lichamelijke contact of niet, en of men nu een eerlijk antwoord op zo'n vraag verwacht of niet, met het stellen van de vraag wordt in elk geval aangegeven dat de sporter zich niet alles moet laten welgevallen en dat ook nee zeggen mogelijk is. Het is van belang dat elke begeleider zijn professionele rol en zijn privé-persoon uit elkaar houdt. Trainers zijn in een positie waarin jonge sporters regelmatig verliefd op hen worden. Men moet zich ervan bewust zijn dat dit normale puberteitsverschijnselen zijn en er nooit op ingaan, zoals ook van de leraar wordt verwacht dat hij geen relaties met leerlingen aangaat. 'Ze wilde het zelf ook' is een argument dat geen steek houdt in een afhankelijkheidsrelatie. Indien er sprake is van wederzijdse verliefdheid tussen meerderjarigen, maar ook van een afhankelijkheidsrelatie tussen sporter en trainer, wordt aanbevolen een van beide relaties (de professionele dan wel de liefdesrelatie) te verbreken. Sowieso is openheid over bestaande relaties belangrijk.

Preventie door voorlichting aan kinderen
Hoewel hier primair een taak voor ouders ligt, kan ook de sportbegeleider trachten seksueel misbruik bespreekbaar te maken. Men moet zich hierbij ten eerste richten op het gegeven dat een kind nooit medeschuldig is aan misbruik. Daarnaast moeten kinderen worden aangemoedigd over problemen te praten. Vervolgens kan 'nee zeggen' en het plegen van verzet worden gestimuleerd. Leg echter nooit eenzijdig de nadruk op het vergroten van de weerbaarheid. Daardoor zouden kinderen in feite zelf verantwoordelijk worden gemaakt voor het misbruik. Bovendien blijkt uit onderzoek dat de meeste kinderen zich wel degelijk verzetten.

Algemene houding van de begeleider
Wie als begeleider te maken krijgt met een slachtoffer van seksuele intimidatie, kan zich onzeker voelen over de eigen kennis en vaardigheden die nodig zijn hier adequaat mee om te gaan. De attitude van de begeleider ten opzichte van seksuele intimidatie die is gevormd door de eigen ervaringen, gevoelens, waarden en normen, is in eerste instantie echter belangrijker. Men moet het willen zien om het te kunnen zien en goed te kunnen reageren. Uit onderzoek blijkt dat een aantal factoren signalering en een goede opvang kan belemmeren. Ten eerste brengt de opvang van slachtoffers praten over seksualiteit mee. Het is dus van belang dat men hierover vrijuit kan praten. Verder zijn reacties en weerstanden gedeeltelijk seksebepaald. Vrouwen zijn bijvoorbeeld sneller geneigd tot identificatie met het slachtoffer, hetgeen kan leiden tot een gevoel van hulpeloosheid en wanhoop. Ook kan dit leiden tot woede ten opzichte van de dader, iets wat het slachtoffer zelf niet zo hoeft te voelen. Mannen zijn eerder geneigd tot identificatie met de dader. Ze kunnen bijvoorbeeld de neiging hebben het gedrag van de dader te verontschuldigen en vooral gericht zijn op gedragingen van het slachtoffer die de dader kunnen ontlasten. Voorts is het van belang enig inzicht te hebben in de eigen houding ten opzichte van macht, ook gerelateerd aan de eigen sekse. Hoe denkt men over machtsverhoudingen in het algemeen, over die tussen mannen en vrouwen, volwassenen en kinderen en over specifieke machtsverhoudingen in de sport? Met het her- en erkennen van machtsverhoudingen, van het feit dat seksuele intimidatie voorkomt in de sport en inzicht in de eigen houding ten opzichte daarvan, is de basis gelegd om te kunnen signaleren en/of goed te kunnen reageren op het verhaal van een slachtoffer.

Eerste opvang van het slachtoffer
De eerste reactie van de begeleider op het verhaal van het slachtoffer is van groot belang. Het slachtoffer heeft de hoge drempel genomen met het gebeurde naar buiten te komen, hetgeen veel moed vraagt. Vragen als: 'Waarom heb je het zo lang laten gebeuren? Waarom heb je het niet eerder verteld?' zijn dan ook uit den boze en zullen de angst-, schuld- en schaamtegevoelens alleen maar vergroten. Slachtoffers vinden het plezierig gecomplimenteerd te worden voor het vertellen van het vervelende verhaal. Belangrijk is dat het verhaal serieus wordt genomen. De begeleider die in vertrouwen wordt genomen, vervult op dat moment de functie van vertrouwenspersoon. Zijn taak is niet het probleem zelf op te lossen, maar het helpen zoeken naar oplossingen. Bij eerste opvang is het belangrijk het slachtoffer op zijn gemak te stellen, zijn verhaal te laten vertellen, emotionele en zo mogelijk praktische steun te bieden en te helpen bij het nemen van beslissingen. Het voert in dit kader te ver er nader op in te gaan hoe een begeleider na signalering of melding van misbruik te werk moet gaan, ook omdat elke situatie anders is. Op deze plaats volstaan de volgende tips ten aanzien van een algemene attitude:

  1. Blijf open: sta te allen tijde open voor de mogelijkheid van seksueel misbruik. Neem ook kleine grensoverschrijdingen serieus. Zij kunnen een signaal zijn voor grotere problemen. Bovendien begint veel misbruik 'klein': vroeg signaleren en corrigeren kan erger voorkómen.
  2. Blijf kalm: het slachtoffer is alleen te helpen en te beschermen met een kalme, professionele benadering.
  3. Blijf alert: houd rekening met de mogelijkheid van (agressieve) reacties van anderen.
  4. Ken je grenzen en verantwoordelijkheden: wees je bewust van je verantwoordelijkheden, met name ten opzichte van kinderen, maar tevens van je grenzen als mens en als professional. Het is bijvoorbeeld niet aan de begeleider om de bewijslast rond te krijgen of het slachtoffer of de dader therapie te geven.
  5. Doe het niet alleen. Hoewel het bespreken van een geval- met een zeer klein aantal collega's -haaks kan staan op de wens tot geheimhouding van het slachtoffer of andere betrokkenen, brengt geheimhouding altijd gewetensconflicten met zich mee. Zwijgen kan tot gevolg hebben dat de situatie voortduurt en dat ook anderen het slachtoffer worden. Beloof het slachtoffer dus liever geen geheimhouding. Wel kan men beloven geen stappen te ondernemen zonder overleg met het slachtoffer. Vermoedens van seksueel binnen het gezin kan iedereen het Buro Vertrouwensarts melden. Bij een redelijk vermoeden dat strafbaar feit is gepleegd, wordt aangeraden -in overleg met het slachtoffer -hiervan melding te maken bij de politie.
Zoek een sportzorgprofessional